World Press Photo 2010
| Vorige |
23 februari 2010 »
Het is wellicht wat voorbarig om de winnende World Press Photo van Pietro Masturzo op voorhand de status van iconisch beeld te ontzeggen. Een icoon immers wordt pas een icoon na een receptieproces waarin het beeld gekoppeld zal worden aan een specifieke wending in de loop van de geschiedenis. Een icoon wordt altijd pas achteraf, soms lang nadat het beeld zelf gemaakt is, tot een icoon van een historisch gebeuren.
Een icoon is altijd een icoon van iets, en dat iets, dat laat zich pas naderhand omschrijven. En meestal is dat na een flinke portie bloedvergieten. Om een voorbeeld te noemen, de heroïsche foto van de levende Che Guevara (voetnoot 1) werd pas een icoon van de revolutionaire jaren zestig nadat Che zelf in het oerwoud van Bolivia gesneefd was. Wij zien onze helden wel graag het ultieme offer brengen. De iconische status van Capa’s stervende soldaat kon pas definitief bevestigd worden in het licht van een ideologisch gekleurde herinterpretatie van de Spaanse burgeroorlog als vroegtijdig en vooruitziend verzet tegen de latere naziverschrikkingen. En de moeder van alle fotografische iconen, Joe Rosenthal’s beeld van de een vlag plantende soldaten op Iwo Jima, vandaag precies 75 jaar geleden, was natuurlijk nooit een icoon geworden als de strijd om de Pacific uiteindelijk in het voordeel van Japan was beslist. Drie van de zes mannen op die foto zouden trouwens binnen luttele dagen na de fotoshoot sneuvelen, want de vlag, de tweede die die dag gehesen en gefotografeerd werd, stond al op het strand nog voordat het eiland goed en wel veroverd was.
Hoewel op een puur denotatief niveau de World Press Photo geen wereldschokkende nieuwsfeiten lijkt weer te geven (anonieme gesluierde vrouw op dakterras roept iets naar de overkant) is de foto van Masturzo dermate verzadigd van connotatieve betekenissen dat een iconische potentie zonder meer aanwezig lijkt te zijn. Toegegeven, een winnende World Press Photo is het beeld van de Italiaanse fotograaf op het eerste gezicht niet. Je zou het eerder rangschikken onder de categorie fotografie die Rommert Boonstra elders op dit discussieplatform hardnekkig op ouderwets nostalgische wijze als de Fotografie van de Verbeelding blijft aanduiden. Dat komt ten eerste al door de voor westerse ogen wat exotisch aandoende setting, die op een persoonlijk niveau appeleert aan onze eigen reiservaringen. Wij worden bijvoorbeeld zelf direct herinnerd aan die koude doorwaakte nacht onder een magistrale sterrenhemel in een schaars verlichte buitenwijk van Casablanca, of die stralende voorjaarsdag een jaar later in Caïro, nog steeds in de jaren zeventig en iets prozaïscher, toen in onze buik de Salmonella werd gedanst en wij op het dak onder de ogen van twee nieuwsgierige melkgeiten de plee probeerden te vinden. Alleen al door het vermogen om deze persoonlijke herinneringen te triggeren zijn wij geneigd de foto een sterk beeld te noemen. Dat de foto niet van het iPhone scherm afspat is dan van minder belang. De foto is kennelijk in staat iets van betekenis te produceren en verdient daarom extra aandacht. En niet eens zozeer omdat de foto zou uitnodigen tot nadenken, maar eerder dat het er één is die aanzet tot mijmeren. Het lijkt ons sowieso dubieus een nieuwsfoto alleen dan als doordenker te bestempelen als expliciete gruweldaden nu eens niet getoond worden, want waarom zou de aanblik van een standrechtelijke executie van een Vietcongsoldaat of van het lijden van zijn met napalm overgoten kleine zusje minder tot nadenken stemmen dan die van een stel jeugdige Libanese ramptoeristen die, met al of niet oprechte verbijstering, de materiële schade na een raketaanval komen opnemen?
Het is al mijmerend bij het beeld van Masturzo goed om Roland Barthes (voetnoot 2) er nog eens op na te lezen waar hij spreekt over het onvermogen van het gemiddelde toeristische fotografiegenre om voor de kijker als een onweerstaanbare Invitation au Voyage (Baudelaire) te fungeren. Een ‘toeristisch’ beeld werkt voor Barthes slechts als zodanig als het getoonde landschap op één of andere manier ‘habitable’ oogt, voor minder weigert Roland de imaginaire koffers te pakken. En ja, wij zouden onze woning warempel wel willen verlaten en een tijdje onze intrek willen nemen op die verdieping met de drie vensters, waar het licht zo overvloedig door naar buiten treedt, in dat enige pand in de buurt dat nog net voor het ineenstorten van de vastgoedhausse netjes lijkt te zijn afgebouwd. Wij vrezen wel dat we er niet makkelijk de slaap zullen vatten, want de gigantische aircokasten op het dak (ook al drie) produceren vast en zeker een doordringende bromtoon die naarmate de nacht vordert alleen maar sterker zal gaan resoneren.
Los van al deze persoonlijke associaties wordt door de opdringerige aanwezigheid van het getal drie (de drie vrouwen, de drie ramen, de drie malle driehoekige ornamenten) de foto voor westerse ogen tamelijk dwingend ingeschreven in een christelijke iconografische beeldtraditie. Misschien niet geheel toevallig dat de fotograaf een Italiaan is. Ons kwam de foto in eerste instantie voor als een wat geabstraheerde versie van ‘De drie Maria’s bij het graf’ door de gebroeders Van Eyck. Dit schilderij (het enige van de Oak Brothers in Nederland en hiero in het BoMA iedere dag op zaal te bekijken, op woensdag zelfs gratis en voor niets want de wonderen zijn de wereld nog niet uit) toont ons ondermeer de drie met kuise kopvodden bedekte vrouwen in de ochtendschemering bij het lege graf van de Verlosser, met op de achtergrond het nog slapende Jeruzalem. Vertaald naar de hedendaagse variant van Masturzo zouden wij de roepende vrouw als Maria Magdalena benoemen, die in gezelschap van de wat schimmige Maria Salomé en de kwijnende Moeder der Smarten kond doet van de wederopstanding. Want dat is toch uiteindelijk wat het beeld ons probeert te vertellen: de roepende vrouw vormt op pathetische wijze haar handen tot een toeter en verkondigt niet alleen aan het Iraanse volk maar aan de gehele mensheid een toekomst waarin vanuit de duisternis het licht zal gaan schijnen, de aardse ketenen zullen worden verbroken en onze paradijselijke vrijheid zal worden herwonnen.
Dat de associatie met dit schilderij misschien al te willekeurig overkomt, wil nog niet zeggen dat hij daarom niet ter zake doet. Het geschilderde beeld van de Van Eycks is weliswaar een figuratieve vertaling van een letterlijke bijbeltekst, in dit geval Markus 16:1-8, maar ik weet zeker dat de dominee Boonstra nog zo wat citaten uit de mouw kan schudden die op de World Press Photo van toepassing blijken te zijn. En dat is geenszins een ongebreideld hineininterpretieren van een persoonlijke preoccupatie met een specifieke iconografische traditie, het is juist precies andersom, iedere tekst, en dus ieder beeld, heeft nu eenmaal onvermijdelijk dit vermogen zijn letterlijke betekenis te ontstijgen en is altijd al ‘structureel geemancipeerd van ieder levende bedoeling’ (Derrida). Een beschouwer die wat meer thuis is in de islamitische mythologie zou in de foto waarschijnlijk met gemak een illustratie bij wel duizend-en-één verschillende sprookjesverhalen herkennen. Wat de vrouw ‘in werkelijkheid’ dan ook van het dak geschreeuwd mag hebben doet er niet zoveel meer toe. Dat is toch allang niet meer te achterhalen. Want hoe luid ook de vrouw van zich laat horen, de foto maakt van de handeling een stil protest, een gesmoorde klacht tegen onrechtvaardigheid, tegen lijden, tegen de dood.
En daar zou de foto misschien een icoon van kunnen zijn. Van een door schade en schande verkregen inzicht dat een onverzettelijk, maar bovenal vreedzaam standhouden tegen onderdrukking en terreur uiteindelijk de aangewezen weg is, want die les zou nu toch wel geleerd moeten zijn, na Gandhi, na King, na Mandela en na het Wir sind das Volk van 1989. En meer nog dan dat zou de foto tot icoon kunnen worden van een wending in onze beeldcultuur, die inmiddels zulke groteske proporties heeft aangenomen, dat wij tussen de reclames door ooggetuige kunnen zijn van een echte onthoofding of een heuse ophanging. Of het nu de beul zelf (Abu Graib, Al Qaeda), de bloeddorstige menigte (Saddam gelyncht) of de helmcamera van de ordetroepen (Hoek van Holland) is, die voor ons de gruweldaden in beeld brengt, een persfotograaf hoeft er niet meer aan te pas te komen. En het valt zeker te prijzen dat de jury in woord en gebaar aandacht vraagt voor die steeds maar verschuivende grens van wat (al of niet met waarschuwing vooraf) als toonbaar wordt beschouwd. Inmiddels heeft de anonieme filmer die, in plaats van eerste hulp te bieden, het sterven van de onfortuinlijke Neda Agha-Soltan heeft vastgelegd met zijn onsmakelijke snuff movie een concurrerende Amerikaanse press award binnengesleept. Maar de wanhopige pogingen van een Iraanse oppositiegroepering om van deze beelden op posterformaat een duotoon icoon van hun verzet te maken zijn gelukkig op niets uitgelopen. Langzaam rijpt kennelijk toch iets van een besef dat slachtoffers gewoon slachtoffers zijn en dat er niet zoiets is als een zinvol martelaarschap, of je nu Che, Neda of gewoon Robby mag heten. Bloed leidt overal en altijd alleen maar tot meer bloed en de mate waarin wij weerstand bieden aan de drang tot het vergieten ervan is het enige criterium waaraan wij onze (on)menselijkheid af kunnen meten. Masturzo of de bloedende Neda , dat is de keuze. World Press Photo krijgt deze keer onze zegen. Amen.
23 02 2010
voetnoot 1:
Voor een analyse van de al even iconische foto van de dode Che zie John Berger’s artikel Che Guevara, the moral issue (1975).
voetnoot 2:
La Chambre claire, chapitre 16 (1980).
Zie ook: Afscheid van de iconen, waarin Edie Peters schrijft waarom hij de World Press Photo 2010 vindt tegenvallen.
Plaatsen/Stemmen op:

















Plaats een reactie
Maximaal 2000 tekens, 2000 tekens over.