Kwaliteit onderwijs fotografie moet omhoog
| Vorige |
30 oktober 2009 »
Jammer dat de door Mirelle Thijsen geëntameerde discussie over de kwaliteit van het Nederlandse fotografieonderwijs niet van de grond is gekomen. Omdat wij zelf tegenwoordig naast het lesgeven en het inrichten van onze binnenkort te openen expositieruimte ook nog hard aan ons fotografisch oeuvre moeten werken konden wij helaas niet eerder reageren. Nu is daar gelukkig de herfstvakantie (wij geven les aan een gerenommeerde fotografieopleiding in het zuiden des lands), dus bij deze een paar opmerkingen.
Allereerst geeft het natuurlijk geen pas bij voorbaat deelnemers aan de discussie uit te sluiten. Het onderwijs aan de zogenaamde fotoacademie(s) heeft inmiddels toch wel bewezen qua niveau op gelijke voet te staan met dat aan de nationale kunstacademies. Een vergelijkend bezoek aan de eindexamenexposities van de verschillende instituten zal iedereen daar snel van overtuigen. Het voornaamste verschil tussen de instellingen lijkt eruit te bestaan dat een eindexamengecommiteerde bij de fotoacademie na afloop van het examen naar huis gaat met een al dan niet commerciële bos bloemen, terwijl de zogenaamde rijksgecommiteerde bij de kunstacademie wordt verzocht een formulier in te vullen[1].
Maar goed, de kwaliteit van het fotografieonderwijs moet omhoog. Daar kan je het moeilijk mee oneens zijn natuurlijk. Een beetje discussie begint met een prikkelende uitspraak. Goed voorbeeld waren de luie schilders van een paar jaar terug. Er moet hier en daar wel een beetje gedist worden, al is het maar voor het leesplezier. De verleiding is groot om maar met Thijsen zelf te beginnen. Aanleiding voor haar ingezonden stuk zou haar voorgenomen afscheid zijn van het fotografieonderwijs, want zij begint een Researcher in Residence in de zuidelijke Vogezen. Afscheid? Zuidelijke Vogezen? Researcher in Residence? Daar zouden wij wel een paar flauwiteiten over kunnen debiteren. Wij zullen ons inhouden. Anders krijgen we weer het verwijt op de man (m/v) te spelen. Laten we in ieder geval hopen dat het Fonds BKVB zich nog niet aan het project verbonden heeft. De PVV staat inmiddels hoog genoeg in de peilingen.
Thijsen poneert als wij goed geteld hebben drie stellingen, waarvan de eerste luidt dat de sleutelposities in de Nederlandse fotografiewereld worden bezet door een groepje aan tunnelvisie lijdende, door een gemeenschappelijke geschiedenis verbonden personen, die een overdreven voorkeur aan de dag leggen voor de documentaire traditie in de fotografie. Breek ons de bek niet open. Het gaat nog wel wat verder dan dat. Als Neelie Kroes onze fotografiesector onder de loep zou nemen zouden er zelfs huwelijken moeten worden ontbonden. De vraag is natuurlijk: hoe erg is dat? Je kunt je misschien afvragen of een de tenen doen krommende expositie als So blue, so blue van old soldier Ad van Denderen met zoveel tamtam in het Nederlands fotomuseum had moeten plaatsvinden of dat bijvoorbeeld de mediocre straatfotografie van Otto Snoek hetzelfde eerbetoon had verdiend, maar het is toch altijd nog beter dan de sentimentele geschiedvervalsing waarmee het Bonnie & Clyde-gehalte van Robert Capa en Gerda Taro deze maand voor het gretige herfstvakantiepubliek wordt opgepompt[2]. Het aanstellen door het Fonds BKVB (Boekhouder Koopt Vakantievilla Buitenland) van een fulltime intendant voor documentaire fotografie, die na een half jaar in functie te zijn nog steeds bezig is uit te zoeken wat dat nou eigenlijk is, documentaire fotografie, lijkt ook een beetje overdreven.
Maar tegelijkertijd is er geen enkele reden tot klagen, want in Huis Marseille was aandacht voor het werk van Edwin Zwakman, in Den Haag voor Jasper de Beijer, hiero voor Paul Kooiker en in Sittard hangt Anouk Kruithof. En ook in de galeriewereld gaan de fotowerken nog steeds als warme broodjes over de toonbank[3]. Jammer is dat wij voor het echte werk van bijvoorbeeld een Thomas Demand naar het buitenland moeten, maar alles is tegenwoordig Europa en Berlijn lijkt niet veel verder weg dan de zuidelijke Vogezen. Die tunnelvisies houd je trouwens toch, los van het feit dat wij sinds de lessen van de ‘maîtres du soupçon’ nu eenmaal voor eeuwig opgescheept lijken te zijn met een partijdige en dus bemiddelde blik op onze werkelijkheid, of je dat nu met Marx wilt veranderen, met Nietzsche wilt omarmen of met Freud wilt verklaren.
Ook de tweede stelling, dat afgestudeerden aan een Nederlandse fotografieopleiding niet in staat zouden zijn hun eigen werk theoretisch te positioneren roept bij ons de vraag op: en wat dan nog ? Bête comme un peintre, was een gangbaar gezegde in het 19de eeuwse Frankrijk. Marcel Duchamp heeft hard zijn best gedaan dat imago te veranderen. Bij fotografen lijkt zo’n poging bij voorbaat gedoemd te mislukken. Uit eigen ervaring weten wij inmiddels dat fotografiestudenten, een uitzondering daargelaten, noch diepe denkers noch grote lezers zijn. Dat wordt er na de studie niet veel beter op. Ik ken een meesterlijk fotograaf die op Nieuwsjaardag zijn omvangrijke collectie fotoboeken netjes op alfabet rangschikt waarmee het met zijn leesarbeid wel weer voor een jaar genoeg is geweest. Van onze scriptiestudenten blijkt altijd weer een behoorlijk, het landelijk gemiddelde ver overstijgend, percentage aan de mysterieuze aandoening dyslexie te lijden. Marnix Goossens, één van de (slechts) twee door Thijsen in haar stuk genoemde fotografen, heeft bij ons tot op heden nooit de indruk gewekt dat hij de verzamelde werken van Margaret[4] Dikovitskaya op zijn nachtkastje heeft liggen. Sinds Marnix met ons bevriend is op het internetforum Facebook zijn wij wat dat betreft niet heel anders gaan denken. Ook hier weer de vraag: hoe erg is dat? Marnix Goossens is zonder al die theoretische bagage heel goed in staat gebleken een gerespecteerde positie in de Nederlandse fotografie in te nemen. Waarbij hij natuurlijk geholpen is door de adoptie van zijn werk door een actieve galeriehouder, die op zijn beurt weer op Marnix’ werk is gestuit op een open dag van de Rijksacademie. Het is sowieso opvallend hoe trefzeker de op fotografie geörienteerde Rijksacademiestudenten de afgelopen jaren in het galeriecircuit hebben weten door te dringen. Denk aan Ellen Kooi, Paul Kooiker, Elspeth Diederix, Gabor Osz, Charlotte Dumas en recentelijk Paulien Oltheten. Ongetwijfeld zal een studie aan de HKU Utrecht niemand kwaad doen, maar het feit dat Utrecht centraal< gelegen is betekent nog niet dat de (fotografie)wereld om Utrecht draait.
De derde en feitelijk meest interessante stelling van Thijsen betreft haar eigen beroepsgroep, die van de fotohistoritheoretici. “Wij zijn nauwelijks bekend met het schrijven van papers, en al helemaal niet met het principe van peer reviewing en citeerindexen, zoals gebruikelijk en noodzakelijk in andere wetenschappelijke disciplines”, aldus Thijsen. Mooie boel is dat, mevrouw. Weet de minister daar al van? Zijn er al Kamervragen gesteld? Over dissen gesproken. Het zal je maar van peer–to–peer gezegd worden. Op zijn minst van de kant van de Masteropleiding Photographic Studies zou je dan een reactie verwachten. Ze zullen het stuk van Thijsen toch wel gelezen hebben? Het kan natuurlijk dat de oudste universiteit van Nederland nog niet is aangesloten op het internet. De wet van de remmende voorsprong heet dat. Het daar ooit ontwikkelde qua content nog altijd interessante Lexicon van de Geschiedenis van de Nederlandse Fotografie is immers ook nooit geupdate naar een hedendaags format. De fotografiegeschiedenis wordt daar nog altijd onderwezen aan de hand van een nog onder auspiciën van kroonprinses Beatrix door de Stichting Openbaar Kunstbezit ontwikkeld losbladig multomapsysteem. Dat is misschien makkelijk om de geschiedenis af en toe te herschrijven, maar hoe moeilijk kan het vandaag zijn om de inhoud ook op digitale wijze voor iedereen toegankelijk te maken. Daar zou het fotografieonderwijs nu eens baat bij hebben. Kunnen wij met twee muisklikken aan de studenten duidelijk maken dat wat Erwin Olaf doet in de 19e eeuw al heel gewoon was. En dat ze dat dus niet na moeten apen, want de houdbaarheid van dat soort werk is niet heel erg groot. Een andere zinvolle bijdrage zou kunnen zijn een fatsoenlijke, geannoteerde Nederlandse vertaling te verzorgen van een paar klassieke, dus altijd actuele teksten uit de fototheorie. Te denken valt aan Benjamin’s Kleine Geschichte< der Photographie, Barthes’ La grande famille des hommes of bijvoorbeeld Crimp’s The Library’s old, the Museum’s new subject. Ook daar zouden wij fotografen–die–in–het–onderwijs–moeten–bijklussen–en–iets–van–een–theoretisch–fundament–willen–aanbrengen echt iets aan hebben. Weten ze in Leiden ook niet dat na veertig jaar onderwijshervormingen havoscholieren niet meer leren in een vreemde taal te lezen? En als ze daaro geen papers schrijven, wat doen ze daaro dan eigenlijk wel? Het Prentenkabinet afstoffen? Wij zijn er zelf na een periode van participerende observatie ook niet echt achter gekomen[5]. Inmiddels zijn er wel alweer een stuk of vijftig Nederlandse fotogeleerden bijgekomen. En dat voor een land met maar een paar honderd dode en levende serieuze fotografen[6]. Dan is een voorgenomen emigratie niet zo verwonderlijk meer.
Tot slot van haar betoog doet Thijsen, als een ware fotohistoritheoretica, onder verwijzing naar het obligate, van alles en nog wat betekenende, onwetenschappelijke begrip visuele geletterdheid, een vrome oproep tot een deltaplan voor het ‘eerste lijn’ onderwijs. En dan komt alsnog de moralistische aap uit de gereformeerde mouw. Het Calvijnjaar is immers nog niet ten einde. “Visuele alfabetisering in plaats van het passief consumeren van het immense aanbod aan visuele trash is van groot belang, zeker op die leeftijd”, preekt juf Thijsen. Wij waren laatst op bezoek bij ons nichtje van bijna twee, die inmiddels een woordenschat van zes min of meer gearticuleerde begrippen heeft opgebouwd. Wij lieten haar een foto van de hond zien en als op commando kraaide Anna: hondje!
So far , so good.
[1] persoonlijke observaties
[2] voor een afwijkend, meer ontregelend ooggetuigenverslag van de gebeurtenissen tijdens de Spaanse Burgeroorlog zie Peter Forgacz’ film El Perro Negro (2005)
[3] persoonlijke communicatie Cokkie Snoei, galeriehouder
[4] door Thijsen abusievelijk gespeld als Margeret
[5] wij hebben er wel geleerd een zogenaamde kooldruk te onderscheiden van andere edele procédés, maar in de praktijk hebben wij deze opgedane kennis helaas nog niet toe kunnen passen
[6] Fotografen in Nederland, een anthologie 1852-2002 (Den Haag, 2002)
Plaatsen/Stemmen op:

















Reacties (9)
Plaats een reactie
Maximaal 2000 tekens, 2000 tekens over.