Dutch Doc
| Vorige | Volgende |
19 juni 2011 »
Op 30 mei publiceerde PhotoQ mijn opiniestuk Duch Doc en de ondermijning van het begrip ‘documentaire fotografie’. Daarop kwamen de nodige reacties, waarop ik hier wil ingaan.
Maar om te beginnen mijn hartelijke felicitaties voor Henk Wildschut. De jury heeft zich niet door het gebrek aan heldere afbakening door Dutch Doc zelf van de wijs laten brengen en presenteert ons een waardige winnaar van deze documentaire prijs. Wildschuts serie Shelter valt duidelijk binnen mijn eerdere poging tot definitie van documentaires: werk met een maatschappelijke gerichtheid waarin met visuele middelen, met diepgang en met een eigen ‘stem’ het algemene publiek wordt gestimuleerd om over essentiële kwesties in de wereld na te denken. Bravo Henk, bravo jury!
Oordelen
Op 15 juni plaatste PhotoQ een reactie van Sissingh. Dat stuk, met een garnituur van uitbundige adjectieven, leunt nogal zwaar op de retorische grap van het zich concentreren op de boodschapper in plaats van op de boodschap. Het bevat een boeiende analyse van mijn werk en een partij particuliere goed- en afkeuringen. We weten nu wie en wat Sissingh sympathiek en aardig vindt. Maar hoe brengt dat de discussie over wat ‘documentaire fotografie’ is nou verder?
Sissingh’s stuk wordt niet bepaald versterkt door zijn nogal losse omgang met de feiten. De typering van WassinkLundgren’s werk in mijn eerdere stuk is niet van mijzelf: ik haal aan en vat samen wat anderen, waaronder Dutch Doc zelf, daarover zeiden. Ik zou poortwachter voor Dutch Doc geweest zijn (was: jurylid, zoals ik onderaan mijn eerste stuk schreef). En zijn ronkende volzin over de troostmeisjes loopt dood op gebrek aan kennis: ‘Troostmeisjes’ was de naam voor tot prostitutie voor het Japanse leger gedwongen vrouwen. Sissinghs koppeling aan de Birma-spoorweg is onzin.
Als inhoudelijke bijdrage aan de discussie blijft er dit over: Sissingh verzet zich tegen mijn stelling dat het in documentaire fotografie gaat om ‘een drang om bij te dragen aan verandering of op zijn minst onderkenning van wezenlijke wereldproblemen‘. Dat zou een teken zijn van ‘een nogal pijnlijke zelfoverschatting van de invloed die ‘de’ fotografie überhaupt nog uitoefent (etc.).’
Een zelfoverschatting lijkt me sterk: ‘de invloed’ of ‘de fotografie’ overschatten zelf helemaal niks. Maar goed, een overschatting van mijn kant dan. In dit geval speelt Sissingh zelf voor Don Quichotte: als je mijn opvatting eerst tot een karikatuur maakt, is die daarna natuurlijk makkelijk te bestrijden. Ik heb nergens gesteld dat we aan wereldproblemen een eind zouden kunnen maken door er een fotograaf op af te sturen. Ik denk dat fotografie een klein radertje kan vormen in een groot geheel dat bijdraagt aan meningsvorming en ik ben nog niet zo cynisch of vertwijfeld dat ik dat onbelangrijk vind.
Overigens is uit een reportage van journalist Dick Wittenberg en mij over een Malawiaans dorp in 2005 in NRC-M gebleken dat zelfs zoiets kleins als een publicatie in één enkel blad uiteindelijk een aardige (hoewel door ons niet direct beoogde of verwachte) impact kan hebben: na een lezersinzameling verbeterden de levensomstandigheden van de bewoners van het betreffende dorp aanzienlijk. “Anachronistisch”? Wellicht futiel? Misschien, als je hun moeilijke situatie beschouwt in termen als ‘maatschappelijk leed en andere ongemakken’ (Sissingh).
Geschiedwetenschap
Op 9 juni plaatste PhotoQ een reactie van Dutch Doc curator Frank van der Stok: Met open vizier kijken. Met gebruikmaking van interviewcitaten van Jan Dietvorst over diens filmische werk en dat van Roy Villevoye, tracht hij een onderscheid te maken tussen de werkwijze van deze kunstenaars en die van historici, journalisten en documentairemakers.
Het lijkt me een interessant idee om de definitie van ‘documentair’ binnen de fotografie te vergelijken met die binnen de filmwereld, al zijn het nogal verschillende media. De beide kunstenaars bedrijven naar eigen zeggen geen (journalistieke) ‘duidende geschiedschrijving’. Verder zegt van Van der Stok: ‘Een achterliggende gedachte (bij het naast en door elkaar heen laten bestaan van het mythische en het banale als gelijkwaardige componenten in de presentatie van het verleden) is dat herinneringscultuur en ‘oral history’ minstens zulk belangwekkend bronnenmateriaal voor cultuurgeschiedenis kan opleveren als de wetenschappelijk gefundeerde geschiedschrijving.’
Het toeval wil dat ik ‘wetenschappelijk gefundeerde’ geschiedenis studeerde aan de Nijmeegse Universiteit van 1975 tot 1981, en destijds al was oral history (grofweg: geschiedschrijving op basis van interviews) zeer in de mode en gold het als een vrij algemeen aanvaarde bron voor ‘wetenschappelijk gefundeerde geschiedschrijving’. Het is misplaatst om nu oral history als een in de kunst ontwikkelde vernieuwing te laten claimen. Het grote verschil tussen de geschiedwetenschap en het werk van deze kunstenaars zit hem mijns inziens veeleer hierin, dat historici op zoek zijn naar een zo helder en eenduidig mogelijke conclusie.
Kleine verhalen?
Verderop stelt Van der Stok: ‘Villevoye en Dietvorst leiden de toeschouwer door een meeslepend verleden langs ogenschijnlijk onaanzienlijke gebeurtenissen, toevallige omstandigheden en onvermoede openbaringen.’
Het feit dat die omstandigheden onaanzienlijk zijn, betekent natuurlijk niet, dat dat ook voor het achterliggende thema geldt. Dietvorst geeft dat zelf aan: “Ik denk dat ons werk grootse thema’s aansnijdt door het onaanzienlijke uit te vergroten”: de nasleep van Eerste Wereldoorlog of de manier waarop (om het maar eens niet politiek correct te zeggen) ‘de wilde’ en de westerling met elkaar omgaan. Vervolgens gaan zij filmisch in op hoe die thema’s zich concreet uitdrukken in het dagelijks leven, met alle daaraan verbonden knulligheden en banaliteiten. Interessant, en een benadering die in de geschiedwetenschap ook wordt gehanteerd – net zoals trouwens in menige fotodocumentaire.
Rob Philip stelt in zijn stuk Klein persoonlijk verhaal heeft ongekende documentaire kracht: ‘Verhalen kunnen klein zijn en toch veel vertellen over de toestand van de mens in het algemeen.’ Inderdaad. Maar je kunt dat niet omkeren: er is een groot verschil tussen het op zoek gaan naar de verschijningsvorm van belangrijke maatschappelijke kwesties in het dagelijks leven, en het volgen van puur particuliere fascinaties; en je kunt niet zomaar aannemen dat die laatste altijd wel ergens verwijzen naar op ruimere schaal belangrijke kwesties. Nogmaals Rob Philip: ‘Wie had gedacht dat het terrein van de huiskamer een essentiële kwestie bleek te zijn in de jaren zeventig?’ Het werk van Nan Goldin, waarnaar Rob Philip verwijst, gaat evenwel over heel wat meer dan over huiskamers: huiselijk geweld, om maar eens iets te noemen, bepaald geen onnozel klein onderwerp.
Journalistiek, documentaire, kunst
Enfin, terug naar Van der Stoks stuk. Samenvattend: twee kunstenaars maken films over grote wereldkwesties, waarbij ze zich concentreren op hoe die zich uiten in het dagelijks leven. Ze gebruiken daarbij in de geschiedwetenschap en in de antropologie gangbare bronnen, zoals oral history en de herinneringscultuur, en portretteren (herhaaldelijk) bijzondere mensen in de betreffende gebieden. Ze bieden geen eenduidige slotconclusie. En nu de vraag: hoe draagt dit verhaal bij aan de nodige begripsbepalingen van de documentaire, zoals Frank van der Stok hoopt?
Dietvorst zoekt de oorsprong van de documentaire in de journalistiek, “een activiteit die er in essentie op gericht is om aan waarheidsvinding te doen.” De documentaire zou meer beschouwend en opiniërend van aard zijn, “daar waar de journalistiek meer gericht is op de getuigenis van de actualiteit.” Dat lijkt me ook binnen de fotografie een aardig startpunt voor het onderscheiden van journalistiek en documentaire.
Maar bij de poging documentaire van kunst te onderscheiden, wordt het plots duister. Dietvorst (volgens van der Stok): ‘Voor mij is de vraag of iets ‘waar’ of ‘echt’ is niet relevant. Het duidt meteen het cultuurverschil met de beeldend kunstenaar, die niet vanuit die premisse te werk gaat. Omdat ik het in de realiteit zoek, en niet in de fictie, verhoud ik mij – om met Roy te spreken – liever tot het ‘waarachtige’ dan tot de ‘het ware’.’
Eerste probleem: verstaan wij allemaal hetzelfde onder ‘waar’ en ‘echt’ en ‘waarachtig’? Verder kom ik met wat goede wil tot dit: Dietvorst bekommert zich niet om waarheid en echtheid – maar hij zoekt ‘het’ (zijn thematiek?) in de realiteit, terwijl de documentaire ‘het’ zoekt in de fictie; maar tegelijkertijd is de documentaire volgens hem gericht op het ware en het echte en doen documentaire en journalistiek aan waarheidsvinding. Wat? Kan iemand – bijvoorbeeld Frank van der Stok, die naar we mogen aannemen zelf wel begrijpt wat hij aan ons doorgeeft - dit ontrafelen en uitleggen wat hier wordt bedoeld?
Verder zegt Dietvorst over de documentaire: ‘Maar ook hebben zaken als ‘vormdwang’, een ideologisch gekleurd streven naar een uitkomst, het aanreiken van een conclusie, een suggestie voor de oplossing van een probleem of schuldvraag en de herleidbaarheid van de feiten allemaal in wisselende mengverhoudingen invloed op het eindresultaat.’
Ik wil bepaald geen lans breken voor het reduceren van de documentaire tot propagandistische eendimensionale fotografie, waarin arme negerkindertjes met grote ogen hulpbehoevend naar camera’s opkijken. En ook ik vind fotografie met gelaagdheid, die vragen oproept en de kijker aan het denken zet heel wat zinniger dan het suggereren van antwoorden en het simplificeren van de wereld.
En om meteen nog een ander misverstand op te ruimen: evenmin vind ik dat documentaire fotografie zich alleen op verre continenten zou moeten richten. Ik schreef eerder: ‘In veel Europese landen groeit de haat tegen migranten, het nieuwe dogma van marktwerking ondergraaft het oude sociaaldemocratische principe van de solidariteit in Europa, er is sprake van een dreigende milieucatastrofe.’ Die thema’s spelen niet alleen in verre continenten, maar in meerdere of mindere mate ook in Nederland.
Niet als enige denk ik dat in de praktijk ‘documentaire’ en ‘kunst’ de laatste tijd dichter bij elkaar zijn gekomen en hun kruisbestuiving lijkt me zeer vruchtbaar: zo is de ‘documentaire fotografie’ van tegenwoordig juist bevrijd van oude ideologische ketenen; ze benadert thema’s uit journalistiek en – vooruit – de ‘oude’ documentaire, namelijk grote kwesties in de wereld, met gebruikmaking van perspectieven en middelen uit de kunst.
Voor mij is een grote vraag: waarom moet het begrip ‘documentair’ zo nodig wijd opgerekt dan wel vervaagd worden, behalve vanwege het geldbedrag dat voor die fotografische tak ter beschikking staat? Zie Rob Philip: ‘Voor mij is het belangrijkste wapenfeit van documentaire fotografie dat het mij iets vertelt over een fenomeen wat ik denk te kennen, maar niet gezien heb in die hoedanigheid.’ Maar visueel verrassen is toch het kenmerk van elke goede fotografie, niet alleen van de documentaire?
Mijns inziens is nu het wachten op een reactie vanuit de hoek van verantwoordelijken van Dutch Doc zelf. Van een instituut dat zich op de documentaire fotografie richt en daaraan een prijs toekent, mag toch verwacht worden dat het helder kan uitleggen waar het voor staat?
Jan Banning vanuit Atlanta, GA, USA.
–
Discussie Dutch Doc:
Frank van der Stok interviewt Jan Dietvorst: Met open vizier kijken
Bert Sissingh: That is not how it goes!
Bianca Stigter: Moeilijker - Dutch Doc Award 2011
Plaatsen/Stemmen op:
















Reacties (3)
Plaats een reactie
Maximaal 2000 tekens, 2000 tekens over.