Werf
| Vorige | Volgende |
25 september 2009 »
Sinds de jaren stilletjes fotografeert de denker Piet Goethals - ooit aangemoedigd geweest door zijn vader - voornamelijk mensen uit de filmscène in Brussel en Vlaanderen. Door zijn stijl van de visualistische portretfotografie toont hij tevens de denkwereld waarin hij zelf leeft. Zijn fotografie is ambigu.
Het is een tonen van iets, een door de camera of in de donkere of digitale kamer omkaderd stukje werkelijkheid dat gezien de objectiviteit van het proces een grote aanspraak op feitelijke kennis kan maken. Het is telkens ook een vraagstelling, namelijk: Wat is de werkelijkheidswaarde van een beeld? en Hoe wordt het objectieve gedesobjectiveerd door de subjectiviteit van de maker en van de ziener, vermeerderd met de contextuele invloeden op beide? Het ontbreekt dus niet aan filosofische betekenisgeving in de foto’s van Goethals. In hoeverre is deze verzameling portretten een verzameling van mensen die iets met elkaar gemeen hebben? De fotoreeks erkent de aanwezigheid van het individu. Mannen en vrouwen die fier-zijn op hun lichaam. Zijn foto’s zijn ruimtelijk en uitgestrekt, de geportretteerden zijn ontvankelijk, visueel en potentierijk. Precies zoals ze zijn, niet mooier, niet lelijker, maar met de grootst mogelijke aandacht met de nadruk op hun karakter.
Goethals spreekt met me over de waardevolle relatie die hij opbouwt met personen die hij fotografeert. Hij is een koorddanser die treffend de breuk tussen de commercieel/documentair gerichte fotografie en de experimentele, op dieper inzicht van de dingen gebaseerde fotografie bewandelt. Goethals werkt als een communicator die informatie en opvattingen over de ons omringende werkelijkheid doorgeeft. De esthetiek van zijn beeldtaal wordt geconditioneerd door de wezenlijke eigenschappen van het medium. Fotografie weerspiegelt de wereld en geeft er tegelijk vorm aan. Fotografie is in ieder geval geen neutraal medium.
Daarom is het boeiend eens naar de essentie van de ideeënleer van Plato te loeren, vooral naar het zevende boek van de Staat, meer bepaald: de allegorie van de grot. In een gesprek met Glauco merkt Socrates op dat het met de mens is gesteld zoals met gevangenen in een grot, geketend met de rug tegen de muur, het aangezicht onbeweeglijk gericht naar de wand van de grot. Achter de muur bevinden zich figuren die voorwerpen omhoogsteken, afbeeldingen van dieren, mensen… als in een schaduwpoppenspel, want achter hen brandt een vuur dat licht verspreidt. Glauco deelt Socrates’ mening dat de gevangenen zullen denken dat de schaduwen de werkelijkheid zijn en de geluiden door de echo van de grot de echte geluiden, voortgebracht door de eigenlijke schaduwen. De werkwoorden die in dit verband gebruikt worden, zijn belangrijk: zien, omhoogkijken, spreken, met andere woorden zintuiglijke gewaarwordingen en uitingen die een volkomen foutief beeld van de werkelijkheid blijken te geven. In zijn besluit is Socrates duidelijk: de wereld van de mensen in de grot is de wereld van de schijnbeelden, de zintuiglijk waarneembare wereld, de zichtbare wereld. De wereld buiten de grot is die van de kennisbeelden, de wereld van de ware kennis, de wereld van de ziel.
Ik kijk mijn papiertje na met de opmerkingen die ik maakte bij het bekijken van zijn foto’s. En ik lees: de verleiding, het voyeurisme, de agressiviteit, schokeffecten, iets elektrisch, erotiek, het kantelt, formele destructie van het beeld… En dat allemaal creëert hij binnen het visuele hart van zijn foto’s. Het is Peter Wollen die in zijn essay Fire and Ice (1984) over fotografie en film schrijft en die respectievelijk de metaforen vuur en ijs hanteert. Film is beweging, dynamiek, de woekering van alles tegelijk, de wakkering van het vuur. Foto is afstand, statisch, de verstilling en het bevroren moment. Goethals combineert beiden.
–
T/m 25 oktober 2009 in het Fotomuseum te Antwerpen: Piet Goethals - Belgische cinema in beeld. Made in Flanders
Plaatsen/Stemmen op:








Reacties (2)
Plaats een reactie
Maximaal 2000 tekens, 2000 tekens over.