Toentertijd
| Vorige | Volgende |
29 april 2009 »
In de bus van Medan naar Lhokseumawe had ik weinig oog meer voor het tropisch groene landschap. We naderden Atjeh en de zenuwen gierden door mijn keel.
David Smith, de toenmalige fotoredacteur van het het inmiddels ter ziele gegane Asiaweek was met het idee gekomen om een reportage te maken in Atjeh. Ik ging vaak bij het blad langs voor koffie en een praatje.
David was een fantastische redacteur van het ouderwetse soort. Hij hield met hart en ziel van het nieuws en nieuwsfoto’s en volgde alles wat er maar te volgen was in Azië. Zo had hij een bericht opgepikt over een aantal Indonesische regeringssoldaten in Atjeh die met wapens en al waren overgelopen naar rebellen, die voor een vrij en onafhankelijk Atjeh vochten.
Over Atjeh wist ik niet veel. Ik was nog nooit in Indonesië geweest en in mijn tijd was koloniale geschiedenis uit de mode.
Mijn vader kreeg nog les over generaal Van Heutsz, de veroveraar van Atjeh, door velen als held gezien. Toen ik op school zat werd zijn monument in Amsterdam met verf en explosieven bestookt.
De Atjehers steunden de Indonesische vrijheidsstrijd van harte maar na het verkrijgen van de onafhankelijkheid werd al snel duidelijk dat ze het liefst hun eigen zaakjes regelden. Dat werd vanaf de jaren ‘70 steeds moeilijker. De nationale oliemaatschappij Pertamina had grote olie- en gasvoorraden gevonden rondom Lhokseumawe in Centraal Atjeh en de opbrengsten daarvan stroomden vooral naar Jakarta.
In de jaren ‘80 begon het verzet daartegen sterk toe te nemen. Deze keer geleid door Hasan de Tiro, een in Zweden wonende verzetsveteraan die vond dat de Indonesische regering zich in Atjeh net zo slecht gedroeg als de voormalige Nederlandse bezetters.
Al snel mochten journalisten officieel Atjeh niet meer in.
Vreemd genoeg toeristen nog wel. Daar zat de overheid blijkbaar niet zo mee. Atjeh had een sterk Islamitisch imago en daar hadden maar weinig toeristen zin in. Indonesië was groot en de stranden van Bali lonkten.
Ik besloot te gaan als toerist. David beloofde me een ‘Eyewitness’. Dit was het wekelijkse fotoverhaal in het midden van het weekblad, uitgesmeerd over acht pagina’s. Daar wilde ik wel wat risico voor lopen.
Via Jakarta vloog ik naar Medan, hoofdstad van de aan Atjeh grenzende provicie Noord-Sumatra. Daar ontmoette ik mijn contactpersoon Jafar. Hij kwam uit Atjeh en werkte in Medan op het kantoor van een lokale mensenrechtenorganisatie.
Hij zou een paar dagen later ook naar Atjeh gaan om Eid al-Adha, een belangrijk Islamitisch festival met zijn familie te vieren. Dat kwam goed uit.
We namen dezelfde bus van Medan naar Lhokseumawe, de tocht duurde een uur of 5 en we zaten niet naast elkaar. Dat zou volgens Jafar te veel opvallen. Ik had niet verwacht dat het zo erg zou zijn. Hij wilde gewoon geen enkel risico nemen. Hij waarschuwde me ook voor wegversperringen.
Eerder die week waren zo’n 7000 Kopassus-militairen, commando’s uit Jakarta overgevlogen naar Atjeh om het groeiende verzet de kop in te drukken.
De wegversperringen vielen mee. Pas na aankomst op het busstation van Lhokseumawe werd mijn bagage goed doorzocht. Ik vertelde de soldaten dat ik foto’s van de prachtige natuur wilde maken.
Jafar ging meteen door naar zijn ouderlijk huis. Ik had een goedkoop hotel op het oog en kreeg daar gemakkelijk een kamer.
Van de hotelbaas hoorde ik dat de volgende ochtend vroeg een gebedsbijeenkomst was georganiseerd en dat daarvoor een hoge militair uit Jakarta zou overkomen. Dat leek me wel wat om te fotograferen.
Ik kwam niet ver die ochtend. Om half 7 zat ik al op het lokale politiebureau. Nog net niet onder arrest, maar ze wilden van alles van me weten, onder andere waar ik logeerde. Ik realiseerde me dat het beter was om gewoon het hotel te noemen en daar namen ze genoegen mee.
Een paar uur later zat ik bij te komen op mijn kamer toen er op de deur werd geklopt. De politie kwam langs om te kijken of ik er wel echt logeerde. Ook namen ze drie filmrolletjes mee die ik expres had laten slingeren. Ik had nog geen foto gemaakt.
Die avond ging ik naar een koffiehuis in de buurt waar Jafar zou langskomen. We spraken met wat lokale jongens en het was wel duidelijk dat ze de militairen haatten. Ook veel gruwelverhalen over verdwijningen en martelingen.
Ik realiseerde me dat het niet makkelijk was om de spanning en de militaire bezetting in beeld te brengen. De rebellen zelf waren volgens Jafar op dit moment onvindbaar. Die waren ondergedoken.
Onderweg naar het koffiehuis kwam ik steeds langs dezelfde militaire post en de Javaanse soldaten begonnen me te herkennen en te groeten. Daar lag mijn kans.
Soms maakte ik een praatje, ze spraken een beetje Engels. Ze hadden heimwee naar Java en waren bang voor de rebellen. Op de derde dag vroeg ik of ik een foto van ze mocht maken als herinnering. Geen probleem en ze gingen meteen heldhaftig klaar staan met hun wapens. Na twee beelden kwam hun commandant langs en die begon verschrikkelijk op mij te schelden. De soldaten verdedigden mij gelukkig en ik kwam met de schrik vrij. De eerste foto’s waren gemaakt.
Het leek me beter om Lhokseumawe te verlaten en Jafar en ik spraken af in de hoofdstad Banda Atjeh, op de westpunt van Sumatra.
De militaire basis waar de soldaten waren gedeserteerd lag niet ver van de stad. Een neef van Jafar, die in Banda woonde, wist zelfs hoe ik daarvan een foto zou kunnen maken. In de buurt was een heuvel met een weg die naar een strand in de buurt voerde. Vanaf een bepaald punt zou ik de basis kunnen zien. We spraken af dat ik me zou voordoen als een toerist die twee lokale jongens had ontmoet die hem wel even naar het strand zouden brengen.
Zo gezegd zo gedaan, de volgende dag wandelden we naar het strand. We kwamen vrijwel niemand tegen. En plotseling was daar de basis, compleet met bunkers en uitkijktorens. Ik verschool me in de struiken en schoot een paar frames met mijn telelens. Daarna gauw de film er uit, een nieuwe er in en de belichte film in mijn sok. Voor als ik aangehouden zou worden.
Alles ging goed, niemand had het gezien.
Daarna hing ik een aantal dagen echt de toerist uit, bezocht de grote moskee en het Nederlandse militaire kerkhof, wat daar gewoon Kerkhof heet.
Terug in Lhokseumawe waagde ik een poging om een militair konvooi te fotograferen.
Ik ging terug naar hetzelfde hotel maar deze keer nam ik een kamer aan de weg. Ik wist dat een paar keer per dag een militair konvooi langskwam en dat wilde ik fotograferen door een kier in het ondoorzichtige bruingetinte schuifraam.
De volgende ochtend strompelde ik naar beneden, bestelde een pot thee en vertelde de manager dat ik ziek was en die dag op mijn kamer zou blijven. Heel normaal voor een buitenlandse toerist.
Daarna was het wachten geblazen. Uren zat ik met met de camera op statief door de telelens te loeren. In de middag was het eindelijk raak, maar geen konvooi, slechts een vrachtauto met soldaten.
Beter dan niets. ‘s Avonds weer met Jafar gesproken. Hij vond dat ik beter weg kon gaan. De militairen zouden me herkennen.
De volgende ochtend nog wat Javaanse arbeiders op weg naar hun werk bij Pertamina gefotografeerd met rokende schoorstenen op de achtergrond en daarna snel met de bus terug naar Medan.
Jafar kwam een paar dagen later met de filmrolletjes. Zonder hem was het absoluut onmogelijk geweest.
Asiaweek was heel blij met het werk en publiceerde de serie. Die week was het blad verboden in Indonesië.
Jafar ging door met zijn mensenrechtenwerk, maar midden jaren ‘90 werd het te gevaarlijk. Hij ging rechten studeren in New York en verdiende zijn geld als taxichauffeur.
Na de val van President Suharto in 1998 kregen de Atjehers hoop voor de toekomst en Jafar kwam terug in 2000 om zijn werk weer op te vatten.
Helaas te vroeg, in september van dat jaar werd hij ontvoerd en een paar weken later werd zijn verminkte lichaam teruggevonden op een vuilnishoop.
Hij heeft het vredesakkoord van 2005 en de daaropvolgende verkiezingen niet meer mogen meemaken.
Plaatsen/Stemmen op:















Reacties (3)
Plaats een reactie
Maximaal 2000 tekens, 2000 tekens over.