Toentertijd
| Vorige | Volgende |
19 februari 2009 »
Liggend met mijn neus op de vieze vloer van een Palestijnse taxi in de Gazastrook was niet hoe ik mijn laatste middag in Israël had voorgesteld. Door me te verschuilen onder de voeten van Palestijnse arbeiders op weg naar huis was ik ongezien een wegversperring van het Israëlische leger doorgekomen, maar het was al laat en de volgende ochtend vroeg vertrok mijn vliegtuig terug naar Amsterdam.
Eerder die dag had ik nietsvermoedend de bus genomen van Tel Aviv naar Jeruzalem om daar het Demjanjuk-proces bij te wonen. Veel meer was ik niet van plan, nog wat straatfoto’s en dan weer terug naar de kust. Hoe het die dag werkelijk verliep geeft een mooi beeld van de situatie in Israël in die tijd.
Ik logeerde bij een vriend in Tel Aviv. Koby was journalist bij de grote krant Yedioth Ahronoth. Ik had hem een jaar eerder in de Filippijnen ontmoet. Hij vond toen dat ik nodig eens langs moest komen om de situatie in zijn land te fotograferen.
Het was nieuw voor me om naar een plek te gaan waar ik zoveel over had gehoord maar nooit was geweest. Ik was opgegroeid met Israël als de heldhaftige overwinnaar van de Zesdaagse Oorlog in 1967. De Nederlandse pers was toen voor het grootste deel pro-Israël. Het lot van de Palestijnen in de sinds die oorlog bezette gebieden kwam nauwelijks aan bod. Tijdens de Intifada, die in 1987 begon, veranderde dat. De opstand van de Palestijnse bevolking tegen de Israëlische bezetting kwam voor het eerst uitgebreid in het nieuws. Beelden van stenengooiende Palestijnse jongeren werden gemeengoed.
Tel Aviv deed me erg aan een Europese stad aan de Middellandse Zee denken. Erg hyper, dat wel, een soort van klein Athene on steroids. Een badplaats ook met een enorme strandcultuur. Een nachtleven dat nooit leek te stoppen. Na een paar dagen en vooral nachten met Koby en zijn vrienden had ik nauwelijks in de gaten dat ik in het Midden-Oosten zat.
Dat veranderde met een eerste bezoek aan Jeruzalem. Heter, droger en vol met beelden die ik van de tv kende. Orthodoxe joden in Mea Sharim die gisteren uit het ghetto leken te zijn vertrokken. Arabieren in de oude stad met de klaagmuur naast de deur, de Tempelberg met de El-Aqsa moskee en de Knesset en andere moderne regeringsgebouwen. Tel Aviv voelde ver weg.
De volgende dagen fotografeerde ik op de Westelijke Jordaanoever. Eerst de orthodox-joodse nederzetting Emmanuel. Jonge vaders in het zwart met bolhoed achter de kinderwagen en Palestijnse arbeiders aan het werk in de nieuwbouw.
Daarna naar Hebron, een Palestijnse stad met een kleine groep Joodse settlers in het oude centrum. Bepaald geen relaxende situatie, de settlers werden bewaakt door Israëlische soldaten en deden hun boodschappen met een automatisch geweer over de schouder.
Terug in Tel Aviv verbaasde ik me er steeds weer over hoe ver dat allemaal voelde. Een uurtje met de bus en ik was weer terug aan het strand.
Op mijn laatste dag realiseerde ik me dat ik vergeten was om Demjanjuk te fotograferen. John Demjanjuk, een immigrant in de VS uit de Oekraïne, werd er van beschuldigd concentratiekampbewaker te zijn geweest. De ‘beul van Treblinka’ was eerder dat jaar uitgeleverd aan Israël en stond terecht in Jeruzalem. Ik nam de bus naar Jeruzalem, vond het gerechtshof en mocht naar binnen om wat foto’s te maken vanaf de publieke tribune. Ik mocht niet dichterbij komen en was dus snel klaar.
Ik had alle tijd en besloot naar Ramallah te gaan. Ramallah is een belangrijke Palestijnse stad op de Westelijke Jordaanoever, 10 km ten Noorden van Jeruzalem. Veel Israëlische soldaten in de stad, dat leek niet normaal. Volgens een jonge Palestijn organiseerden studenten van de nabijgelegen Bir Zeit University een demonstratie en dat daarom was het leger nerveus. Er liepen heel weinig mensen op straat.
Toen ik eindelijk in de buurt van de demonstratie kwam, mocht ik niet verder. De soldaten vertelden me niets.
Terug in het centrum van Ramallah kwam de aap uit de mouw. Een Palestijn vertelde me dat een demonstrant was omgekomen, waarschijnlijk neergeschoten door een soldaat. Om ongeregeldheden te voorkomen was de hele omgeving rond de universiteit afgesloten en hij verwachtte dat elk moment een avondklok voor de hele stad zou worden afgeroepen.
Ik vroeg waar de dode student vandaan kwam. ‘Uit Rafah in de Gazastrook, aan de grens met Egypte’, antwoordde hij, ‘en daar wordt hij vanmiddag al begraven’.
Het leek me wel wat om dat te fotograferen dus informeerde ik naar vervoer naar Gaza en dat was in die tijd nog gemakkelijk. Het snelste was een gedeelde taxi vanuit Oost-Jeruzalem. Geen probleem om de Gazastrook binnen te komen en daar overstappen in een taxi voor Rafah in het uiterste zuiden van de strook.
De atmosfeer veranderde, niemand meer op straat en van een passagier begreep ik dat inmiddels ook hier de avondklok was uitgeroepen. Ook mocht niemand meer Gaza uit. Onze taxi mocht nog wel door omdat de passagiers allemaal Palestijnse arbeiders waren die naar huis gingen.
Ik begon iets te veel op te vallen dus besloten de medereizigers dat ik op de vloer tussen de voor en achterbank moest gaan liggen. Dan konden ze me afdekken met hun voeten en werd ik onzichtbaar voor de Israëlische soldaten.
Zo gezegd, zo gedaan, en het werkte. Na een half uurtje reden we Rafah binnen. Absoluut niemand op straat. De medepassagiers verdwenen in hun huizen en één van hen ontfermde zich over mij en nam me mee naar zijn huis.
Daar zat ik dan gezellig aan de thee bij een overaardige familie in Rafah en ik kon de deur niet uit. Met veel moeite legde ik uit dat ik eigenlijk bij de begrafenis van de dode student wilde zijn, maar volgens de vrouw des huize was dat al een uur eerder gebeurd. Het nieuws reisde sneller dan ik. Een zoon met een auto wilde me wel naar de begraafplaats rijden.
Daar was inderdaad een vers graf met een paar palmtakken er op. Verder niemand te zien. Dat had dus niet veel zin. Toch maar een paar foto’s gemaakt voor de goede orde.
Inmiddels werd het later in de middag en de zoon wilde naar huis. We reden de kleine afstand met een enorme omweg om Israëlische legerpatrouilles te ontwijken.
Terug in het huis was er weer thee met koekjes maar ik realiseerde me dat did allemaal geen zin had. De avondklok maakte fotograferen onmogelijk en ik moest de volgende ochtend vroeg op het vliegveld bij Tel Aviv zijn voor mijn terugvlucht naar Amsterdam.
Ik kon de familie niet meer vragen om me in de auto naar de grens met Israël te brengen. Dat zou veel te gevaarlijk voor ze zijn.
Uiteindelijk besloot ik om gewoon zelf, alleen, de straat op te gaan en richting Gaza Stad te lopen. Dat mocht wel niet, maar ik was een buitenlander, een outsider en ik kon altijd als argument gebruiken dat ik wel moest vanwege mijn vlucht en dat ik al in Rafah was toen de avondklok werd afgeroepen.
Ik deed al mijn camera’s om mijn nek, met Israëlische perskaart, om er zo echt mogelijk uit te zien. De familie wenste me gedag en veel geluk. Dat had ik nodig, maar ik voelde me vooral belachelijk. Al die moeite om in Rafah te komen en dan zonder foto’s terug naar Tel Aviv. Uitgedost als een fotografische John Wayne in een hele slechte film.
Op straat was het stil, van achter de voordeuren hoorde ik gedempt geroezemoes van de bewoners.
Aan de andere kant van de weg werd ik ingehaald door een legerpatrouille. Ze zeiden niets, misschien dachten ze dat ik een legerfotograaf was of zo. Tot dat de radioman achteraan vroeg: ‘Where are you from?’ Toen ik Amsterdam noemde, meldde hij dat hij daar was geboren. Nu zou het niet lang meer duren dacht ik.
En inderdaad, na een minuut of tien kwam er een legerjeep aanscheuren met een hele boze officier die me begon uit te schelden en wat ik in godsnaam in mijn hoofd had gehaald om tijdens de avondklok over straat te gaan lopen.
Ik legde het allemaal zo rustig mogelijk uit en, ongelooflijk, dat werkte. Ik mocht meerijden naar Gaza Stad en vandaar kon ik weer met een gedeelde taxi naar Tel Aviv.
Een uur of twee later stapte ik de stamkroeg van mijn vriend Koby binnen in Tel Aviv. Hij stelde me aan wat nieuwe vrienden voor, die me enthousiast vroegen wat ik die dag had gedaan.
‘Ah, you know, I took the bus to Jeruzalem and…..’
Gaza en de Westelijke Jordaanoever voelden erg ver weg.
Plaatsen/Stemmen op:

















Reacties (7)
Plaats een reactie
Maximaal 2000 tekens, 2000 tekens over.