Toentertijd
| Vorige | Volgende |
10 januari 2009 »
Sudan was voor mij eind jaren ‘70 de ultieme bestemming. De plek waar ik naar toe moest. Een kennis was er doorheen gereisd op weg naar de Eritrese verzetsbeweging en een Nederlands-Egyptische vriend had in de hoofdstad Khartoum op school gezeten. Ik begon er over te lezen en vooral Alan Moorehead’s boeken over de Witte en Blauwe Nijl fascineerden mij. Een gigantisch land, het grootste van Afrika, zestig keer Nederland, vrijwel geen wegen, een paar honderd verschillende stammen en geen toeristen. Daar moest ik naar toe.
Eind 1980 lukte me dat en ik reisde een half jaar lang door grote stukken van het land. Niets van de verhalen die ik had gehoord was overdreven. Sudan was something else en ik raakte er aan verslaafd. Zo verslaafd dat ik tijdens die trip twee keer de slopende overland trip van Cairo in Egypte naar Khartoum maakte. Ik was plotseling naar Amsterdam teruggevlogen toen ik begreep dat mijn toenmalige vriendin verliefd was geworden op haar hoogleraar. Ik hoopte de relatie te kunnen redden. In winters Amsterdam werd het me snel duidelijk dat dat geen zin meer had dus vloog ik terug naar Egypte om de draad weer op te pakken.
Sudan was een land waar je je niet echt op kon voorbereiden. De enige verharde weg was naar Port Sudan. De rest van het land kon je alleen bereiken achter op een overvol geladen vooroorlogse vrachtauto. Vaak waren dat dagenlange trips, ‘buiten slapen op een matje en meelpap met elke maaltijd. Fruit was een luxe en vlees uitermate onbetrouwbaar. Inentingen hielpen ook niet veel. Bizarre ziektes kwamen voor. Green Monkey Disease in Juba, later bekend als het zeer dodelijke Marburg-virus. Ik reisde door de Nuba Mountains, welbekend door de foto’s van George Rodger en Leni Riefenstahl. Uiteindelijk stopte ik aan de grens met Zaïre, wat nu de Democratic Republic of the Congo heet.
In 1984 raakte Sudan met Ethiopië zwaar in het nieuws in Nederland. Een BBC-documentaire van Michael Buerk over de hongersnood had een enorme solidariteits- en inzamelingsactie tot gevolg gehad. Op 27 november 1984 werd tijdens “Eén voor Afrika” uiteindelijk meer dan 100 miljoen gulden opgehaald. Dat geld werd vervolgens over verschillende hulporganisaties verdeeld die projecten in de getroffen gebieden hadden. De Novib, nu Oxfam Novib, was één van die organisaties en daar had ik na mijn Sudan-trip gewerkt. Ik was eerder in 1984 vertrokken omdat ik full-time fotograaf wilde worden maar door de actie was ik voor een maand tijdelijk door de Afrika Afdeling ingehuurd. Toen zag ik mijn kans. De Novib had foto’s nodig van hun projecten. Ik was de enige daar die echte reiservaring had met het land en stelde voor om voor hun die foto’s te gaan maken.
Deze keer was het wel even anders natuurlijk. Niet meer het luie langzame bestaan van de rugzaktoerist. Gewerkt moest er worden! Afspraken maken, kantoren bezoeken, toestemmingspapieren bij de overheid aanvragen. Dat viel allemaal nog vies tegen in het bureaucratische Sudan met een nauwelijks werkend telefoonnet en met ambtenaren die alleen ‘s morgens even op kantoor kwamen. Later in de middag, als ik toch niets meer kon regelen vond ik mijn oude Khartoum weer terug: de stoffige bijna smeltende straten, de geur van ultrazoete koffie met gember en de populaire mangosap-tent in het oude centrum. Voorzichtig begon ik foto’s op straat te maken. Niet zo gemakkelijk, veel Sudanezen hielden er niet van om op de foto gezet te worden en bij de overheid moest je ook een echte Photo Permit aanvragen. Al snel werd je anders van spionage verdacht.
President Numeiri had hoog bezoek. De hoofdstraten van Khartoum hingen vol met liefdesbetuigingen aan vice-president Bush van de VS. Mooie slogans als: “Long Live Sudanese American Struggle For Global Peace”. Pal naast een Pepsi-reclame. Moeilijk voor te stellen nu maar dit was lang voordat Bin Laden in Sudan kwam wonen.
Eindelijk dan naar een Novib project. De Schotse manager was toevallig in de hoofdstad en ik kon met hem mee terugrijden naar Qala En Nahal waar hij manager was van het “Rural Development Project”. Ik logeerde in een simpel guest-house en maakte foto’s van schooltjes, markten, waterputten en de droogte. Want droog en heet was het er. Vanaf 10 uur ‘s morgens tot een uur of 4 in de middag lag alles plat. Hoewel, niet helemaal, want de vrouw van de Schot produceerde elke dag een verse lunch compleet met Schotse scones.
Vandaar naar mijn eerste vluchtelingenkamp bij Showak. Ik kon het niet overzien, zo groot was het. Duizenden en duizenden vluchtelingen uit Eritrea en Tigray, net over de grens in Ethiopië. Aan alles was tekort, tenten, voedsel en vooral water. Lokaal was er geen water door de langdurige droogte. Het moest aangevoerd worden in tankwagens en het viel bijna niet aan te slepen.
Ik had in eerste instantie het gevoel dat ik het allemaal al gezien had. Dat kwam door de indringende tv-beelden eerder dat jaar. Langzaam begin je details te onderscheiden. Kleuren waren er bijna niet, alles zat onder het stof. Mensen zaten onder een stuk plastic of stonden in lange rijen op water of een bordje meelpap te wachten. Overwerkte hulpverleners hadden geen tijd voor debuterende hongerfotografen. De medische afdeling was schrijnend. Ongelooflijk dunne mensen, broodmagere kinderen die geen eten konden binnenhouden en werden gewogen aan zo’n haak, die me aan de slager deed denken. Fysiek redde ik het nauwelijks, boven de 40 graden, stofstorm, geen water, dat hou je niet lang vol.
Die dag later nog door naar Kassala, dicht bij de grens met Eritrea, toen nog een opstandige provincie van Ethiopië. Kassala vond ik tijdens de eerste trip het mooiste en leukste stadje in Noord-Sudan. Een echte oase, vol met grote oude bomen, fruittuinen, exotische markten en allerlei verschillende stammen die daar hun spullen kwamen verkopen. De nomadische Hadendowa, door de Britten Fuzzy Wuzzys genoemd vanwege hun extravagante kapsels. Afro’s ondergesmeerd met volvette boter. Zij reden op kamelen met zwaarden en stokoude geweren en kwamen alleen in de stad om te handelen. Kassala was ook de stad met het schoonste en lekkerste water van het hele land volgens de Sudanezen. Ik dronk er gewoon uit de kraan.
Kassala lag dicht bij een aantal enorme vluchtelingenkampen en daardoor zaten de hotels dat jaar vol met hulpverleners en journalisten. Veel van de dames en heren waren nooit eerder in de Sudan geweest en wisten weinig van het land. Door het effect van de BBC-reportage en de daaropvolgende inzamelingsacties waren de meesten volledig gericht op de droogte en het drama in de kampen. Dit leidde soms tot bizarre situaties. Op een avond op weg terug naar het hotel na een goede lokale maaltijd werd ik aangesproken door een groep Amerikaanse tv-journalisten. Ze vroegen me of ik wist waar je gebotteld water kon kopen. Water uit een fles was toen nog niet zo populair als nu en zeker niet in Afrika maar ik verzekerde de prachtige zwarte anchor woman dat je in Kassala gewoon het tapwater kon drinken. Daar kwamen ze niet meer van bij. Ze hadden al hun water, echt waar, al hun water, meegenomen in een geleasd vliegtuig uit San Francisco. Gallon flasks California Springwater. Door de enorme hitte waren ze veel eerder door hun water heen geraakt.
Een volgende stop was aan de kust vlak bij de grens met Eritrea. In Tokar zat een kleine groep Amerikaanse groep vrijwilligers hulp te bieden aan lokale nomaden die door de droogte in de problemen waren gekomen. Dat was redelijk uniek omdat bijna alle hulp naar de grote kampen met de vluchtelingen uit Ethiopië ging. Daar hadden sommige Sudanezen nog wel eens de pest over in. Een Amerikaanse verpleegster vertelde me dat een paar weken eerder Sebastiao Salgado was langsgeweest. Zijn reportage over de crisis was ongeëvenaard…
In Port Sudan, mijn laatste stop, fotografeerde ik oorlogsgewonden in een ziekenhuis van de bevrijdingsbeweging in Eritrea, net over de grens. Ondanks de droogte en hongersnood ging de oorlog gewoon door. Port Sudan, de belangrijkste haven van Sudan, voelde als een vergeten plek aan de Rode Zee. Bloedheet, langzaam wegrottend, roestbakken in het stinkende water. Daar kwam ik er achter dat er een regeringscrisis in Khartoum aan de gang was. De president was in het buitenland en een algemene staking was aangekondigd. Een staatsgreep werd verwacht. Dat was het grote nieuws in Khartoum en in de nationale kranten. De vluchtelingencrisis en de hongersnood speelden daarbij geen rol.
Plaatsen/Stemmen op:
















Reacties (2)
Plaats een reactie
Maximaal 2000 tekens, 2000 tekens over.