Toentertijd
| Vorige | Volgende |
10 december 2008 »
In Afghanistan in 1989 voelde ik me voor het eerst in een echte oorlog. Rond de zuidelijke stad Kandahar, lag zelfs een frontlijn. Ik reisde daar rond met een Nieuw-Zeelandse collega onder de hoede van een groep mujahedin, zoals de Afghaanse verzetsstrijders toen werden genoemd.
Eerder, in de jaren ‘70, raakte ik gefascineerd door Afghanistan. In die tijd studeerde ik nog en tijdens vakantiereizen in Turkije kwam ik veel rugzaktoeristen tegen die de hippie trail volgden. Van Amsterdam naar Katmandu via Istanbul, Afghanistan en India. Overland reizen was goedkoop en relatief eenvoudig. Iran was nog onder de Shah en er was geen oorlog in Afghanistan. Afghanen zagen er wel stoer uit op foto’s met hun Lee Enfield-geweren van een vorige eeuw maar het land werd toch voornamelijk geassocieerd met goedkope dope en aardige mensen.
In de zomer van 1978 reisde ik er voor het eerst over land naar toe en helaas zat de oorlog er toen al aan te komen. Een maand voor mijn aankomst in Kabul had de “Saur” revolutie plaatsgevonden en was er een communistische partij aan de macht. Veel van de leden waren opgeleid in de voormalige Sovjet Unie.
Die eerste maanden had je daar als buitenlander niet veel van in de gaten. De meeste hippies hadden niets van de staatsgreep gemerkt en de restaurants zaten nog vol. De enige Engelstalige krant ‘the New Kabul Times’ stond vol DDR-achtige propaganda over macht aan de arbeiders en emancipatie van de vrouwen. Voor mij voelde het vooral bizar. Het was moeilijk om een communistische revolutie voor te stellen in een land waar de overgrote meerderheid boer of nomade was en de meeste vrouwen gesluierd over straat liepen.
Muhammad Taraki was de eerste president, al snel afgezet door Hafizullah Amin en toen die te nationalistische ambities begon te vertonen werd hij vermoord. Een Sovjet-vriendelijke president werd op zijn stoel gezet en vanaf kerstmis 1979 stroomden tienduizenden sovjet-soldaten het land binnen. Toerisme was er vanaf die tijd niet meer bij. De berichten over het land werden steeds somberder. Miljoenen Afghanen vluchtten over de grens, vooral naar Pakistan en Iran.
Voor journalisten en fotografen was het moeilijk om de bezetting te verslaan. De pers kreeg nauwelijks officieel toestemming. Een alternatief was om illegaal met de mujahedin mee te reizen, vanuit het grensgebied met Pakistan
Peshawar, vlak over de grens en de hoofdstad van de Pakistaanse North West Frontier Province, was de uitvalsbasis voor veel van de verschillende mujahedin groeperingen. In 1986 ging ik er voor het eerst heen om contacten te leggen en zou toen van uit Chitral naar het noord-oosten van Afghanistan reizen. Uiteindelijk heb ik dat op het laatste moment niet gedaan. Het was al september, het werd koud in de bergen en ik had geen zin om te overwinteren in bezet Afghanistan.
In februari 1989 probeerde ik het weer. De sovjets, of althans hun leger, zouden die maand Afghanistan verlaten. Gorbachov was aan de macht en het was tijd voor perestrojka, het einde van de koude oorlog. De bezetting van Afghanistan had niet het gehoopte succes gebracht en was erg impopulair in Moskou.
Deze keer lukte het me om samen met Nieuw-Zeelander Terence White Afghanistan binnen te trekken met een groep mujahedin van de Jamiat Islami, bekend vanwege hun beroemde commandant Ahmed Shah Massud. De verschillende mujahedin groepen rondom Kandahar hadden een pact gesloten en de stad was in feite omsingeld. Vanaf hun posities konden we het vliegveld zien.
Het basiskamp van de groep lag zo’n vijf uur lopen van het front en werd regelmatig door buitenlandse journalisten bezocht. Hun fighting camp was maar een kilometer van het front. Eigenlijk meer een grote bunker en het werd regelmatig beschoten. We bleven daar af en toe een paar dagen en gingen dan weer terug naar het rustiger basiskamp.
De atmosfeer voelde nogal bizar aan en soms was het moeilijk voor te stellen dat het niet om een derderangs film ging. Totdat dan plotseling de kogels weer om je oren floten of een zwaargewonde mujahedin werd binnengebracht. Ik had het geluk dat Terence heel ervaren was, hij zat al vanaf Vietnam in het vak en sprak ook goed Dari, de lokale taal.
Je zag de vijand eigenlijk nooit van dichtbij. Eén keer gingen we mee voor een aanval met rpg’s (rocket propelled grenades) in een buitenwijk van de stad. Uren lopen, daarna kruipen door verlaten vernielde huizen. De jongen die ging schieten was erg nerveus, hij deed zijn tulband af en prevelde een gebedje. Het doel was een militaire post van de overheid een paar honderd meter verder die ons nog niet had gezien. Daarna naar het dak van de ruïne en hij schoot twee rpg’s richting vijand en miste.
Ik was enorm zenuwachtig en kon nauwelijks de camera stilhouden. De foto’s bleken later niet schokkend te zijn, naar mijn weten nooit gebruikt. Na de inval doken we beneden een bunker in en bleven daar tot de zon onderging. Al die tijd schoot de andere kant terug richting bunker. Weer niet goed voor de zenuwen. Daarna was het weer een uur of vijf terug lopen naar het kamp.
Iedere dag deden we iets nieuws. Tijdens een mortieraanval op een regeringspost stak er een stofstorm op. Het had iets heel onwerkelijks, we konden niets meer zien en toch om de zoveel minuten schoten we een mortier af. Ze werden aangedragen door jonge jongens die net van de Koran-school in Pakistan af kwamen. Later zouden zij de kern van de taliban worden.
Tijdens een beschieting van een bergrug kwam ik erachter hoe gevaarlijk granaatsplinters zijn. We hadden net een machinegeweerpost bezocht en zouden wat gaan eten in hun tent. Plotseling werden er mortiergranaten over de berg gelobd en die explodeerden vlakbij. We doken onder een paar dekens op de vloer maar een mujahedin was te nieuwsgierig en bleef naar buiten kijken. Plotseling begon zijn voorhoofd te bloeden. Hij was geraakt door een rondvliegend metaalsplintertje. Deze keer gelukkig oppervlakkig.
Toen we in het frontkamp aankwamen bleek een Japanse journaliste er al vier weken te zitten. En de commandant was daar helemaal niet gelukkig mee. Hij wilde dat wij haar mee terugnamen naar het basiskamp. Hij vond dat zijn strijders te veel werden afgeleid door een vrouw in het kamp. De Japanse was er voor een damesblad om een verhaal over het dagelijks leven van de mujahedin te maken. Zij idealiseerde de guerrilla’s en vertelde ons dat ze wilde blijven en met hun mee zou gaan vechten. Ze bad ook met hen en was gekleed als een man.
Op het eind van ons verblijf daar reisden we met een tractor naar een soort grenspost waar een wapenstilstand was afgesproken. Die middag, gezellig trekkend aan een gigantische waterpijp en totaal stoned vertelde de lokale leider ons dat ze ‘s nachts een aanval op de post zouden uitvoeren en hij nodigde ons uit om er bij te zijn. We weigerden, aanvallen in het donker zijn heel gevaarlijk, je flitser gebruiken is een death-wish. Onze Japanse wilde blijven en we besloten om haar tegen haar wil mee terug te nemen. Daar was ze niet blij mee maar uiteindelijk zag ze de ernst van de zaak in.
Terug in het basiskamp bleek Steve McCurry, de toen nog niet zo bekende Magnum-fotograaf te zijn aangekomen. Wat ik me nog goed herinner is dat hij geen Afghaanse thee wilde maar zijn eigen instant koffie maakte. Hij wilde dat niet delen dus toen wij later onze laatst Mars verdeelden, kreeg hij niets
Uiteindelijk op de weg terug naar Pakistan moesten we een rivier door. Op de heenweg was dat een fluitje van een cent, de rivier stond bijna droog. Nu stond er een meter water met een flinke stroom. Wij hadden ook een zwaargewonde mujahedin bij ons die niet kon lopen. Verschillende auto’s lagen al kopje onder in het midden van de rivier. We besloten hand in hand door de stroom te lopen en onze bagage met de gewonde in de auto te laten die het dan maar moest proberen. Eerst ging de auto en mijn hart stond bijna stil, al onze films en camera’s lagen er in. Gelukkig ging het goed. Daarna was het tot je kruis door het ijskoude water lopen een fluitje van een cent.
Een foto van een vrachtauto bij die rivier stond later op de voorpagina van de Volkskrant, waar ik heel trots op was.
We haalden Pakistan en ‘s avonds in het hotel in Quetta stond de Japanse er op om voor ons thee te maken. Ze was weer Japans geworden.
Plaatsen/Stemmen op:

















Plaats een reactie
Maximaal 2000 tekens, 2000 tekens over.