dinsdag 22 mei 2012 De verbindende schakel in fotografie
Oog & Naald
Vorige Volgende
13 februari 2011 »
door Fran van der Hoeven

De hoesfoto is zwart en gruizig. Vier letters en een blok. MONK, punt uit. Het CBS logo zit zo strak aan de M van MONK vast dat het er één geheel mee vormt. Stereo en “360 Sound” zijn ook bagatellen. De belettering is in zilver. Streng en solide, gereformeerd en gesloten. Het licht heet vast Midnight Sun.

 De foto staat voor een reis naar het midden van de nacht of liever naar het afgetrapte interieur van een loft bovenin 821, 6th Avenue N.Y.C.
Op zoek naar goedkope ateliers waren schilders in New York ooit industriële ruimtes gaan huren. Dat waren lofts. Deze stond in het bloemenhandeldistrict.
 
Hier liepen tussen 1954 en 1964 de beste jazzmusici de trappen op naar de vierde etage, waar Hal Overton een studio had. Omdat alles eromheen leeg stond kon je hier midden in de nacht ‘jammen’ tot de volgend ochtend. Je speelde vrijuit met ieder die maar binnenkwam. Of repeteerde voor een concert, zoals hier. Hal Overton was een begenadigd arrangeur. De enige musicus die Thelonius Monk in het zadel kon helpen voor een concert in Town Hall op 28 februari 1959. Deze foto moet een week ervoor gemaakt zijn.
 
Twee etages lager werkte Eugene Smith, maniak en fotograaf. Na een mislukte poging om de stad Pittsburg in foto’s te vertalen, trok hij zich terug in dit hol, verslaafd aan alcohol en amfetaminen. Ze versterkten zijn manisch depressiviteit, er ontstonden ‘Maniacal highs and suicidal lows’ (Sam Stephenson). Zijn koppige houding hield bovendien eventuele potentiële opdrachtgevers lang buiten de deur, waardoor zijn financiële problemen groeiden. Hij had zijn vrouw en vier kinderen verlaten en was gescheiden van een maîtresse met kind in Pittsburg. De loft werd zijn schuilplaats.
 
Toen hij er in 1957 ging wonen begon hij meteen dat Pittsburgproject te ordenen. Het moest een essay worden in de aard van Beethoven’s laatste strijkkwartetten of James Joyce’s Ulysses, vond hij. Van de 22.000 foto’s selecteerde hij er 2000. Ze hingen aan zijn muren, in de gangen en langs de trappen. Soms laag over laag. Hiervan drukte hij 600 masterprints, waar niemand in geïnteresseerd was. Dat duurde drie jaar.
 
 
 
 
Ondertussen begon hij ook het leven rond dit pand vast te leggen. Er ontstonden series als “As From My Window I Sometimes Glance…,” (1957-1958) en “The Loft From Inside In…,” (ca.1958 - ca. 1968). Die serie over wat hij allemaal ziet als hij uit zijn raam kijkt, heeft een hoog gluurgehalte door de noodzakelijke telelens. Alles buiten bereik; je voelt een grote eenzaamheid. Hij heeft de wereld buiten gesloten; alle ramen zijn zwart geschilderd. In één sponning hangen nog wat glasscherven die hij gebruikt om gedeeltes van wat hij ziet voor ons te verbergen. Fragmenten, scherven. Het is alsof hij bewust wil breken met z’n vroegere, intense betrokkenheid bij zijn onderwerpen.
 
Robert Frank: “Gene went from a public journalist to a private artist in the loft. I’m sure the intensity was still the same, but there weren’t the goals of changing the world with his body of work, at least not like before.”
 
Wat er binnen gebeurde hield hem meer bezig. Hij had door alle bovenliggende vloeren gaten geboord om iedere noot die er op de vierde etage klonk te kunnen vastleggen. Zijn bandrecorder daar nam alles op.
 
Na zijn dood stond er nog 18 dollar op de bank, maar in zijn atelier vond men behalve 25.000 LP’s (klassiek en jazz) ook 1740 geluidsbanden (nu 5089 cd’s). Hij nam niet alleen muziek op van vierhoog, maar maakte ook radio- en tvopnames of liet een band meelopen tijdens gesprekken met andere huurders, muzikanten, collega’s of langslopende politieagenten. Hij wilde omringd zijn met beeld en geluid. In de doka stond een tv met een roodfilter voor de beeldbuis om niets te missen tijdens het afdrukken.
 
Smith hield van dissonanten. Hij was een liefhebber van het late werk van Beethoven en Bartok. Bij Thelonius Monk ging het daar eigenlijk alleen nog om. Die twee moesten elkaar ooit ontmoeten. Door Smith’s uitsnede is de intensiteit van de in zichzelf gekeerde Monk optimaal benut.
 
 
 
 
Op de hoesfoto lijkt het alsof Monk ergens aan zee zit te spelen. Soms denkt Smith daar anders over, in zijn Aperture Monograph zit de donkere partij boven en is Monk opeens in een kelder. Zijn vlasbaardje heeft tijdens het afdrukken flink aan omvang gewonnen als je de originele afdruk bekijkt. Hal Overton is daar ook op te zien. Eigenlijk vind ik Smith in deze periode veel te zwaar afdrukken. In zijn LIFE essays kon hij er ook al wat van; hier vind ik het smerig.
 
 
Zo komt Tony Bennet meer over als een mijnwerker die zich eerst nog even moet wassen voordat hij zich met die ‘Time for Love’ kan gaan bezighouden.
 
Ik wil niet idealiseren, maar soms komt Monk hier op me over als een zwarte Smith. Net als Monk hield Smith niet van compromissen. Moest je emoties tot aan het ondragelijke ondergaan. Bij Monk dacht men ook dat hij gestoord was.
 
“I remember sitting there, listening to the three of them talk (Monk, Overton, Smith), and I had no idea what they were talking about. I don’t know if they knew what they were talking about to each other. They knew what each other was saying. But it was three monumental, marvelous minds, just expressing themselves, and wether somebody understood or not was beside the point.” Bob de Celle, Overton’s copiist.
 
Frank: “He was an astonishing man, his passion and his belief in whatever he would do. Since then, I haven’t met anyone that comes near that passion and belief in what he does and what it should do and the effect of his work. He believed it would changed the world, and nobody today of the younger people think like that. I haven’t met them.”
 
 
 
 
 
Voor het schrijven van dit stukje heb ik hevig geleend uit “The Jazz Loft Project” van Sam Stephenson. Hij werkt voor het Centre for Documentary Studies aan de Duke University in Durham, North Carolina. En heeft zeven jaar nodig gehad om Smith’s Loft materiaal te ordenen, te catalogiseren en te selecteren voor dit boek.
The Jazz Loft Project, uitgegeven door Alfred A. Knopf, New York 2009.
 
 
 
 
Plaatsen/Stemmen op:  
 
Archief
© 2008 - 2012 PhotoQ | Contact | Colofon | Development by IDCA Technologies