dinsdag 22 mei 2012 De verbindende schakel in fotografie
Oog & Naald
Vorige Volgende
24 oktober 2010 »
door Fran van der Hoeven

Ik ken Sipke Huismans van de Rijksakademie. Zie hem nog een ets maken naar een foto van het Duke Ellingtonorkest. Natekenen is het onder controle krijgen van iets dat je fascineert.

Het is zoals luchtgitaar spelen: je laat voelen hoe die waanzinnige solo is ontstaan. Je kunt dat niet bedwingen. Ik kon mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen om hem te vragen naar zijn favoriete platenhoes.
 
Als we Sipke’s zolderkamertje in willen, vraagt hij voorzichtig of ik me met mijn omvang wel naar binnen kan wringen. De deur kan maar open in een hoek van 45 graden. Dan zit hij klem tegen een bureaublad. Je moet je als een ruimtereiziger in een soort sluis opstellen, de deur langs je heen dichtdraaien om in de volgende zone te komen. Pas daarna kan hij zelf ook naar binnen.
 
 
Tegen de andere wand staat een grote platenkast. Je ziet aan de losliggende LP’s dat hij ze nog steeds draait. Hier en daar ook cd’s. Als ik hem heb uitgelegd wat ik wil weten, krijg ik een fascinerend verhaal over zijn jeugd en hoe hij met kunst in aanraking kwam.
 
Ik wil weten hoe hij zich die tijd net na de oorlog herinnert. Je bent 13 en je hoort voor het eerst Charlie Parker. Alsof je een nog niet ontplofte granaat in een gebombardeerd huis vindt. Je zou alsnog de hele buurt kunnen opblazen.
 
Ik stel het me iets te mooi voor. Met klasgenoten Henk Bernlef en Gerard Stigter ( K. Schippers) draaide hij jazzplaten. De regel was dat als er muziek klonk, niemand wat mocht zeggen. Er kwam van alles op de draaitafel, niet alleen bebop. Ze luisterden ook naar Bessie Smith, King Oliver, Louis Armstrong en Art Tatum. Allemaal van voor de oorlog. Muziek waar hun ouders geen weet van hadden. Ze probeerden te ontdekken waar het allemaal vandaan kwam. Ze moesten iets inhalen.
 
J. Bernlef in “Perfektie met een gaatje” (1981-Uitgeverij Reflex, Utrecht):
“1953. We verhuisden, terug naar Amsterdam. Op de HBS vond een groep gelijkgestemden elkaar in de muziek die nu ook funktioneerde om ons sociaal te markeren, af te zetten tegen ouders en duffe medescholieren. Tot diep in de nacht zaten we in een fietskelder in Amsterdam-west en speelden Parker-platen. G. riep tegen zijn moeder dat hij schijt aan de buren had en zette de pick-up nog harder. Soms moesten we de deur van het keldertje openzetten omdat er geen zuurstof meer voorhanden was om er een lucifer te laten ontbranden.”
Je ziet de foto’s uit “Wij zijn 17” van Johan van der Keuken uit 1955 voor je.
 
 
En het bleef niet bij platen draaien. Impresario’s als Lou van Rees en Paul Ackett organiseerden concerten waardoor het ook mogelijk werd die idolen te zien spelen. Sipke herinnert zich ooit vlak bij Bud Powell te hebben gezeten.
Je hoort nog steeds de verbazing dat zoiets heeft plaatsgevonden, ook al is het meer dan vijftig jaar geleden. Bewegende beelden van jazzmusici bestonden er niet, je kende ze alleen van foto’s.
 
Een andere herinnering heeft hij aan het concert van het Charles Mingus Sextet uit april 1964. “Als je de zaal binnenkwam kon je al iemand op een piano horen. Ik dacht, zeker weer zo’n opvullertje als voorprogramma want dat deden ze vaker. Moest je tot drie uur ‘s nachts wachten tot je eindelijk kreeg waar je voor kwam. Maar deze pianist speelde van alles door elkaar, waardoor je je nooit verveelde. Stride, boogie woogie of bebop; hij beheerste het allemaal, fantastisch. Het was Jaki Byard. Hij zat ook in dat Sextet, net als Eric Dolphy waar ik voor kwam.”
Na een maand stond Dolphy er weer, maar nu met Misha Mengelberg, Jacques Schols en Han Bennink. De volgende dag maakten ze in Eindhoven opnames die uitgebracht werden als “Last Date”. Dolphy stierf kort daarna in Berlijn aan suikerziekte.
 
Tien jaar later werd één van deze opnames opnieuw uitgebracht op het Instant Composers Pool label. “Cover-design, photography, lay-out and translation: Sipke Huismans”, staat er trots in de klaphoes.
 
 
Op de voorkant zijn ets naar een schilderij uit het Uffizi in Florence. Een jeugdportret van Don Garcia de Medicis, gemaakt door Bronzino in 1545. “Dat jongetje hield een vogeltje in zijn hand. Dolphy was één van de beste opvolgers van Charlie Parker. Dat vogeltje sloeg op ‘Bird’, Parker’s bijnaam.”
 
 
Binnenin een intrigerend panorama van 8 foto’s die Sipke maakte in Café-restaurant “De Kroon” op het Rembrandtsplein. David Hockney avant la lettre. Achterop een indringende portretfoto van de saxofonist. Dolphy oefent met zijn Nederlandse begeleiders. Hij is in iedere foto aanwezig en draait door Sipke’s schikking caleidoscopisch om je heen. Op de laatste foto ook een hand in beeld die een sigaret vasthoudt, leunend op de armleuning van een rolstoel. Dat moet de machtige hand van de Godfather van de Nederlandse Jazz-Beleving, Michiel de Ruyter zijn. En in het oog van deze storm: de kont van Bennink. Hij heeft zijn schoenen uitgedaan en speelt op sokken.
 
 
Prachtig zoals Dolphy hier op die laatste foto lijkt af te slaan als hij naar Mengelberg kijkt. Stop! Alsof je er zelf bij bent. De foto’s zijn niet erg sophisticated. Weinig scherptediepte en grijzig afgedrukt. Alsof het er niet toe doet, omdat het belangrijke historische opnames zijn. Hoe moet dat zijn geweest zo vlakbij een idool? Sipke maakt het niet mooier dan het is.
 
 
Hij houdt een zekere afstand tussen idool en fan. Of de muziek zelf en hoe je er naar luistert. Omdat de muziek daardoor intact blijft. Luisteren en niks zeggen. Je niets laten opdringen. Je mag er van denken wat je wilt. Het in stand houden van een zekere onbevangenheid en eerlijkheid. Omdat je het over iets fragiels hebt. Jazzmuziek wordt tenslotte ter plekke uitgevonden.
 
Sipke is een Parker adept. Hij heeft bijna alles van de Vincent van Gogh van de Jazz. Als ik hem vraag naar de beste Parkerhoes moet hij even zoeken. Zijn eerste keus is een chronologische serie historische opnamen. Nietszeggende foto’s met steeds weer dezelfde dikke zwarte omlijsting: “The History of Charlie Parker”. Eenheidsworst, als ‘n serie postzegels. Meent hij het nou of lijkt hij er een beetje verlegen mee? Wil hij zijn idool niet laten vastpinnen?
 
Ik zie een veel mooiere, oudere, Savoy hoes die met behulp van wat vergeeld plakband de schijn van urgentie weet op te houden. Maar die vindt hij weer te mooi.
 
 
Een al te grote inbreng van ontwerpers of fotografen kan niet op zijn waardering rekenen. Er mag eigenlijk niks tussen de muziek en de beleving ervan komen. Het komt allemaal wat lichtanarchistisch op me over. Hij is zelf toch ook kunstenaar? En die Dolphyhoes is toch ook geen cellofaantje? Tegelijk verfrissend eigenwijs en uniek, zulke dogmatiek.
 
 
Uiteindelijk middelen we. Het wordt een privé-uitgave van een verzamelaar met twee unieke foto’s van Parker.
 
Laat ik er ook maar eens niks over zeggen.
 
 
 
 
De prachtige titel ontleen ik aan Tientje Huismans, die dit spontaan te binnen schoot bij het luisteren naar Charlie Parker.
 
 
 
 
 
 
Plaatsen/Stemmen op:  
 
Archief
© 2008 - 2012 PhotoQ | Contact | Colofon | Development by IDCA Technologies