Oog & Naald
| Vorige | Volgende |
29 november 2009 »
Zwarte mannen met zonnebrillen. Sinds de film ‘The Comedians’ uit 1967 hoeft dat voor mij niet meer. Papa Doc’s Ton Ton Macoutes snijden daarin met een scalpel de nek en slagaders open van een chirurg die zich net klaarmaakt om te gaan opereren. Er is niet veel licht in de O.K. maar de zonnebrillen gaan niet af. Instinctief grijp je naar je eigen hals.
De heer Pinochet blijkt een keurig grijs meneertje zonder die zwarte bril. Raar, maar ik ben nog geen foto’s tegengekomen van Nazi’s met donkere brillen, tot ze in de beklaagdenbank zitten, in Neurenberg, onder een hoop licht dat nodig is voor de Amerikaanse filmcamera’s met hun lage asawaarden.
Daarom bevalt deze hoesfoto niet zo. En juist daarom zit-ie in m’n visuele geheugen. De enige geruststelling is dat op iedere foto van Lightnin’ wel een bril voorkomt. Altijd een andere en altijd bij de tijd.
Een Franse hoes uit de ‘Collection Chouette’. De penseelachtige belettering doet aan het logo van het platenlabel Barclay denken. Ook met één streek neergekwast. Dat had schwung, alles leek daar mogelijk. ‘Van comme ça en ga maar na”, zoals Wim Sonneveld ooit zong.
Fransen en zwarte cultuur zijn soms als zout en peper. Maagdelijk wit en heet zwart/bruin. Ze vullen elkaar aan. Geen land in Europa waar zoveel zwarte bekende musici een tijdelijk onderkomen hebben en hadden. Meer waardering, meer werk en een wat vrijere markt voor stimulerings-/genotsmiddelen. Maar, aan de oppervlakte, iets minder vooroordelen. En vanuit de Fransen een voorliefde voor exotisme. Roy Eldridge zingt in 1950 hoe je een Franse tomatensla maakt: “Oen petit lèh-thoe…des tomàht…avec de la mayonaise…”. Zijn zes begeleiders zijn Franse jazzmusici.
Van Josephine Baker tot Grace Jones of Sydney Bechet (werd er begraven) en Miles Davis, die een verhouding had met Juliette Greco tijdens het draaien van Louis Malle’s ‘Ascenseur pour l’échafaud’; allemaal Parijzenaars. Baker, Bechet en Davis kregen zelfs de Franse Legion d’Honneur.
De stroom Afrikaanse musici van tegenwoordig zijn de nieuwste aanwinst.
De foto voor “Ça c’est le Blues!” is van J.P. Leloir. Doet denken aan een archieffoto. De achtergrond lijkt meer een noodzakelijke dan een moedwillige keuze. J.P. Leloir moet veel van dit soort foto’s in zijn archief hebben. Zijn eerste gepubliceerde foto komt uit 1951, zijn website claimt foto’s van 11000 muzikanten. Vaste fotograaf voor Jacques Brel, enfin etcetera. Met Jean-Marie Périer (‘Salut les Copains’) en Guy le Querrec de grootste Franse muziekfotografen.
Die foto is vast op Orly gemaakt . Zou het nog bestaan: “vliegveldfotografie”? Je ziet er het wonder in terug dat idolen zomaar uit de hemel kunnen vallen. Tot in de zestiger jaren altijd met de onvermijdelijke vliegtuigtrap, anders was de oorsprong van dit feest niet duidelijk genoeg.
.jpg)
Cor van Weele laat Frans Poptie in 1958 zojuist op Schiphol arriveren, op zijn vioolkist zitten 12 plakkers van exotische oorden. Er staan toevallig ook 12 nummers op ‘Fiddling around the world’. Iedere titel heeft een geografische verwijzing; Frans is wezen schatgraven. Opvallend kleurgebruik; alles lijkt alleen maar uit roden en blauwen te bestaan. Komt ook door het voorzichtige voorjaarslicht, de propellers geven een flauw schaduwtje af. Hoe acteer je een aankomst? Hoewel de rechterarm een gebaar van uitrusten maakt en lijkt te zijn afgedaald maken de benen juist de omgekeerde indruk: die willen naar boven. En ondanks de dappere glimlach moet hij hebben staan rillen; die stewardess houdt lekker haar handschoenen aan. Maar wat me altijd weer bezighoudt is het nut van die vliegtuigtasjes en wat daar in zit. Je had thuis toch alles al ingepakt? Enige dank aan de KLM? Of is het part of the deal?
Dan is Dave Brubeck een stuk duidelijker. Van alles veel te veel. Teveel Pan Am logo’s om een directe band tussen zijn wereldtour (1958) en sponsoring van de vliegtuigreis te ontkennen. Of het nou gaat om de verkoop van lippenstift (O&N 7) of een paspop zijn van een overvloedige Amerikaanse reiscultuur; alles voor de jazz. Die brede grijns kan duiden op een zeker ongemak, de plooi in z’n nek op terugdeinzen bij zoveel nadruk. Gelukkig is alles veel te groot voor die kleine rottasjes. Het probleem van iets te laten zien dat weer ergens anders in zit, is zo ook opgelost.
.jpg)
Ik heb nog wel eens een documentaire over een fotograaf gezien die op Heathrow z’n werk deed: “Hi Paul, everything all right with the Missus?” Maar de concurrentie met de tv. lijkt toch te groot geworden. Op de coverfoto voor U2 ‘s CD “All That You can’t leave behind” uit 2000, zijn het niet meer de personages die belangrijk zijn, maar de locatie. De band staat in de enorme, bijna lege, vertrekhal van Charles de Gaulle. Hoe je dat voor elkaar krijgt; half vier ‘s ochtends misschien? Ze lijken eerder anonieme aliens onder een enorm dak van een ruimteschip. Er mag niemand meer zonder papieren in de buurt van de vliegtuigen komen. Toch willen ze dat. Dus stappen ze uit het busje dat hen naar het vliegtuig brengt en kan Corbijn maar een paar foto’s maken tot ze worden opgepakt.
Lightnin’ draagt hier z’n hoed zoals James Joyce ‘his fine beaver hat’ (Szarkowski) op de foto van Berenice Abbot uit 1928, schuin achterop de schedel. Als een ring om Saturnus. Elegant en arrogant. Maar ook praktisch; de lucht kan vrijelijk circuleren. Je suggereert toch een heer te zijn, maar hebt ook lak aan conventies. De stemming van eindelijk het vlinderdasje los. Sinatra droeg dan wel hoeden om zijn kaalheid te verbergen, maar bewees daarmee tegelijk schatplichtig te zijn aan de zwarte muziekcultuur. Het getuigt van lef om iets te gebruiken voor een ander doel als waar het voor ontworpen is. Een stropdas omdoen en tegelijk een los boordenknoopje laten zien.
De nonchalante filtersigaret die iets te hard is ingeknepen ligt tegen zijn gouden hoektand zoals een krokodil roerloos op z’n prooi wacht. Er schuilt een zekere wreedheid in.
In “Nothing but the Blues” van Lawrence Cohn las ik: “Lightnin’ had been offered $2.000 a week for a European Tour, but he wouldn’t fly, choosing instead to stay in Houston and play barbecue joints, pool halls and beer bars for $17 a night. Lightnin’ made most of his money as a gambler.”
Plaatsen/Stemmen op:










