dinsdag 22 mei 2012 De verbindende schakel in fotografie
Oog & Naald
Vorige Volgende
15 juli 2009 »
door Fran van der Hoeven

Heel even dat gevoel slechts een handdruk van Jimi Hendrix vandaan te zitten. Maar wat moet je daarmee als nuchtere Hollander?

Op een vraag van een bewonderende fan aan Ed van der Elsken hoe het was om met Miles Davis te mogen praten, moet hij gezegd hebben dat hij niet veel van toeteren wist en Davis niks substantieels over fotografie had bij te dragen. Mythe en mystiek liggen niet ver uit elkaar.  
 
Hoe ga je daar als fotograaf mee om? Voel je jezelf ook beroemd in de nabijheid van sterren? Of ben je je bewust dat je eigenlijk alleen maar bij kan dragen aan nog meer beroemdheid van een ander?
Ik wist niet dat de foto’s van de laatste LP die Jimi Hendrix in zijn leven heeft kunnen maken, van een Nederlandse fotograaf zijn. Er lopen wel meer Amerikanen met een Nederlandse naam rond. Totdat André van Fimex dat zei.
Weer zo’n Co Rentmeester story. Eigenlijk alleen beroemd buiten Nederland.
 
Jan Blom zit gewoon naast me op zijn bank. Net terug van een Hollands zeiltochtje. Maar zou het liefst meteen weer terug willen naar de ‘States’.Op de vloer twee grote platte kartonnen dozen. Op de rug staat ‘Fillmore East’ in vette viltstiftletters. Dat was zijn werkterrein in het begin van de zeventiger jaren. Hij had zijn vaste plek links naast het podium onder een balkonnetje. Eigenlijk een loge, want de Fillmore was ooit een theater. Op Second Avenue in Zuid-Oost New York. Midden in East Village. New York’s antwoord op hippiestad San Francisco.
Hij vertelt over concertpromoter Bill Graham die al een theater/concertzaal in Frisco had maar in 1968 een tweede opende in New York. Graham stond bekend om zijn gewaagde programmeringen. Miles Davis laten openen voor Neil Young.
 
Terwijl ik dit schrijf kom ik een foto tegen van de gevel van de Fillmore. Op de overkapping boven de ingang staat de programmering voor eind 1969. Op 19 en 20 december speelden The Byrds er, stond the Nice in het voorprogramma en waren the Sons of Champlin de supporting act. De week erna, op 26, 27 en 28 december had hij Blood, Sweat & Tears op de planken. Oudjaarsnacht was voor Hendrix en de 2e en 3e januari kon je naar The Greatful Dead.
 
Op de plaat hoor je Graham het nachtconcert aankondigen met: “The Fillmore is proud to welcome back some old friends with a brandnew name: A Band of Gypsies!”
Maar in zijn autobiografie zegt hij dat hij het eerste concert van die avond maar niks vond. Zo ‘welcome back’ voelde het niet aan. Hendrix speelde op de automatische piloot. Alles waar het publiek op zat te wachten haalde hij uit de kast. Behalve bezieling. Jimi moet er zelf ook niet gelukkig mee zijn geweest. Maar wilde dat graag van een ander horen. Graham liet er geen gras over groeien en vertelde hem dat hij er zich goedkoop van af had gemaakt. Het publiek kon je dan wel snel betoveren, maar als promotor wil je het beste. En dit was echt niet goed genoeg.
 
Met gemengde gevoelens kondigde hij het tweede concert aan. Maar Hendrix was al begonnen en speelt onder zijn aankondiging gewoon door. Kon blijkbaar niet meer wachten. Nieuwe band, een andere muzikale kant op en een aflossing van een oude schuld aan een vorige manager, Ed Chalpin, waarmee hij ooit een wurgcontract had getekend. Die zou de opnames krijgen. Nu Graham nog terug pakken.
 
En hoe! Er gaat een getergde tijger langs de tralies. Iedere keer als ik deze hoes zie hoor ik de eerste paar maten. Strak en sober. En hypnotiserend: “toewwww…toe-toe-de-loeh, toe-de-loe, toe-de-loe….dah-de-lah….lah-dah-daah…., toeh- toe- de- loe”.
Dan laat powerdrummer Buddy Miles opeens drie harde rimshots horen, gevolgd door drie snellere tikken. Bassist Billy Cox herhaalt het motief zodat Jimi zich kan concentreren op de weg die ze moeten inslaan om nieuwe dingen te gaan ontdekken. ‘Who Knows’ is begonnen.
 
Vertaal je dit in beelden dan kom je precies uit bij de foto’s die Jan Blom van Hendrix maakte. Simpel en puur. Ingetogen, nergens showbiz.
 
Op de coverfoto is het nauwelijks te zien, maar zijn andere foto’s laten een vaag sikje zien. Voor Jimi Hendrix is het een tijd van verandering. Zijn meesterwerk ‘Electric Ladyland’ is een jaar oud, wat nu nog? Maar hij heeft een nieuwe band en woont weer in New York. Een zwart bewustzijn is groeiende. Black Panthers everywhere en James Brown heeft net z’n LP ‘I’m Black and I’m Proud’ uitgebracht. Shaft en Superfly are just around the corner.
 
Van Hendrix werd ook wat verwacht en daarom zou hij alleen met zwarte muzikanten werken. In zijn vroegere band werd hij begeleid door een blanke drummer en bassist.
In dit concert staan ‘The Voices of East Harlem’ in het voorprogramma. Zwarte Gospel met een politieke boodschap. Dat eerste nummer ‘Who Knows’ heeft zelfs een solo van Buddy Miles, waarin Hendrix muisstil is voor de volle twee minuten! Geen zachte, korte, droge ondersteunende likjes, geen zachte glijgeluidjes; helemaal niks.
Alsof hij zijn plaats wist en anderen ook een kans wilde geven. De nederige houding van de gitaarprins op Blom’s coverfoto sluit hier goed bij aan.
 
Bijna roerloos staat hij daar, licht heupwiegend op het voortgaande getik en gekraai van Miles. Alleen Billy’s bas geeft nog grommend de melodielijn aan. Rood en groen licht van Joshua’s Light Show over zijn gezicht en schouders. Op dat moment moet deze foto gemaakt zijn.
 
De zestiger jaren worden in deze nacht letterlijk geschiedenis. Jimi heeft nog negen maanden te leven. Het lijkt of hij nu al zijn Schepper onder ogen komt; alsof hij in het licht van gebrandschilderde ramen het hoofd buigt.
 
Natuurlijk heeft Hendrix zelf de uiteindelijke keuze voor deze foto gemaakt. En na het debacle van de blote vrouwenhoes van ‘Electric Ladyland’ moest het nu serieus. Maar zonder Jan Blom had hij die keuze nooit kunnen maken.
 
‘Hendrix’ heet de LP, Blom de fotograaf; meer is niet nodig.
 
 
 
Plaatsen/Stemmen op:  
 
Archief
© 2008 - 2012 PhotoQ | Contact | Colofon | Development by IDCA Technologies